|
||
dinsdag, 03 januari 2012 |
|
|
De hugenoten en het hugenotenkruis Omdat het Belgisch protestantisme een tweetalig gebeuren is,
en dus een bicultureel verschijnsel, kan het nooit kwaad om naast
de "Nederduitse" reformatie ook enige aandacht te
schenken aan de historie van de reformatie in Frankrijk. België
is ook wat dit betreft weer een trefpunt en smeltkroes van
Europese culturen. U vindt informatie over:
Het woord 'hugenoten' is waarschijnlijk een verbastering van het Zwitserse 'Eidgenossen' (Iguenots). In de 2de helft van de 16de eeuw komt deze naam voor als een ietwat denigrerende naam voor de Franse protestanten. Deze bijnaam wordt vervolgens door henzelf als erenaam aanvaardt (vgl: "les gueux", de bedelaars, de geuzen als erenaam van de Vlaamse protestanten). Als gevolg van de onderdrukking en vervolging worden in de 16de en vooral in de 17de eeuw vele hugenoten gedwongen te vluchten naar gebieden waar geloofsgenoten wonen of waar een grotere tolerantie heerst dan in frankrijk. Daar stichten zij dan vaak eigen 'vluchtelingenkerken' (Églises du Refuge, vandaar 'réfugiés'). Voor 1530 waren er slechts individuele 'Franse protestanten' op de vlucht (o.a. Guillaume Farel en Jean Calvin), meestal richting Zwitserland. De eerste grote vluchtelingenstroom kwam op gang na 1560. Bij hen sloten zich ook de Walen aan uit de zuidelijke Nederlanden, op de vlucht voor de Spaanse macht. Berucht is in dezen de Bartholomeüsnacht in 1572. Tot die tijd was het een nog niet uitgemaakte zaak hoe Frankrijk (als buitenbeentje in het Europa, waar de Habsburgse vorsten Spanje, de Nederlanden, Duitsland en Oostenrijk beheersten in nauwe verbondenheid met de roomse Kerk) zich zou gaan verhouden tot de nieuwe religie. Het kon nog alle kanten op, zij het dat zonder goedkeuring van de Franse koning geen blijvend protestants centrum in Frankrijk kon ontstaan. En de officiële lijn van de koning was sinds Frans I duidelijk antireformatorisch. De Waldenzen, die zich sinds 1532 aangesloten hadden bij de Zwitserse reformatie werden zwaar vervolgd. Leden van de plaatselijke adel namen hen soms in bescherming. Zij durfden dat doen, mede doordat vanuit Genève hen duidelijke geluiden bereikten dat de reformatie mocht, ja moest nagestreefd worden ondanks verboden van overheidswege. De lagere adel had van Calvijn in dezen zelfs de permissie en opdracht gekregen om des gewetenswille hierin subversief te zijn. Onder Hendrik II nam de vervolging toe. Toch waagden de Franse protestanten een nationale vergadering te Parijs. In 1559 kwamen predikanten en ouderlingen vanuit het hele land bijeen in een synode. Naar een door Calvijn verstrekt model stelden zij daar een geloofsbelijdenis vast, de confessio Gallicana. In een kerkorde (discipline) regelden ze de nieuwe kerk zowel plaatselijk als regionaal als landelijk in een zogeheten presbyteriaalsynodaal kerkverband(1): Geen gemeente mag over een andere heersen, gemeenschappelijke zaken moeten in provinciale of nationale synoden worden beslist en zulke synoden bestaan uit predikanten en ouderlingen (presbyters), die door de gemeenten of groepen van gemeenten zijn afgevaardigd. Deze geloofsbelijdenis en kerkorde is later via de Henegouwse predikant Guido de Brès (van Bergen, werkzaam te Rijssel en Gent) in een eigen bewerking ook de grondslag geworden van de protestantse kerken in de Nederlanden (confessio Belgica (z.b. pag. 7). De Kerkorde die in 1618 in Dordrecht werd opgesteld voor de Nederlandse Hervormde Kerk loopt gelijk op met het Franse voorbeeld. Na de dood van Hendrik II nam Catharina de Medici als regentes de regering over. Zij speelde de leden van de adel, waaronder er velen waren die sympathiseerden met het protestantisme (inclusief leden van de hoge adel, ja zelfs tot in de koninklijke familie toe), behendig tegen elkaar uit. De roomse fractie werd geleid door de fam. De Guise, de protestantse door leden van de familie Condé. Een godsdienstvrede zoals uiteindelijk in Duitsland in 1555 was bereikt, was in dit centralistisch bestuurde land niet denkbaar. Het was voor heel Frankrijk "entwederoder". Als de gereformeerden dus een eind aan de vervolging wensten, dan moesten ze er voor vechten. Toen in 1562 De Guise een bijeenkomst te Vassy met de wapens neersloeg, brak er een burgeroorlog uit, die met enkele onderbrekingen heeft geduurd van 1562 tot 1598. Als leider van de protestanten trad admiraal Gaspard de Coligny naar voren. Daar de opeenvolgende koningen weigerden de knoop door te hakken door radicaal partij te kiezen bleef de toestand onzeker. Rond de jaren '70 ontstond er oorlogsmoeheid en werden er wapenstilstanden en zelfs vredesakkoorden gesloten, ja De Coligny werd zelfs toegelaten tot het hof. Een echte oecumenische vrede leek mogelijk in Frankrijk, toen in 1571 de protestantse vorst Hendrik van Navarre ging trouwen met de zus van de katholieke koning van Frankrijk, Karel IX. De protestantse adel was genodigd en kwam ook naar Parijs voor de bruiloft. In deBartholomeüsnacht van 23 op 24 augustus 1572 liet Catharina de Medici hen allen overvallen en vermoorden, terwijl zo wil het verhaal de koning uit het vensterraam toekeek. Die nacht vielen in Parijs vermoedelijk 500 doden, buiten Parijs in de volgende dagen zeker 30.000. Het protestantisme, dat naar schatting toen zeker een derde van de bevolking omvatte, verloor in één slag zijn leiders. De strijd echter ging door en meer en meer gingen juristen op zoek naar een constructie, waarbij het land één zou kunnen blijven en toch de hugenoten plaatselijk zouden kunnen worden toegestaan hun geloof te beoefenen. Toen in 1589 Hendrik van Navarre, als naaste verwant van de koning rechten kreeg op de troon, werd hem de toegang tot Parijs echter geweigerd gezien zijn actief protestantse verleden (Hij was ondermeer legeraanvoerder der hugenoten geweest). In 1593 ging hij tot grote teleurstelling van de hugenoten over tot het roomskatholicisme ("Paris vaut bien une messe."). Als koning Hendrik IV probeerde hij vervolgens wel het conflict te beëindigen en zo vaardigde hij het edict van Nantes uit (1598): Officieel bleef Frankrijk een roomskatholieke staat, maar de hugenoten kregen een aantal vrijsteden, pandsteden (places de sûreté) toegekend. Ook leden van de adel mochten in hun bezit protestantse kerkdiensten houden. Protestanten behielden hun burgerrechten. Dit genade-edict van Nantes (1598) ter pacificatie van de religieuze tegenstellingen werkte in de praktijk echter niet. Kardinaal Richelieu probeerde de politieke zelfstandigheid van de protestanten met geweld te breken en belegerde de pandsteden, waarvan de bekendste La Rochelle is (1629 belegerd). Onder de zonnekoning, Lodewijk XIV, begon een vervolging van formaat (Un roy, une foy et une loy). Als absoluut vorst wilde hij absolute eenheid (L'état, c'est moi). Voor minderheden was in zijn rijk geen plaats. De protestanten verloren hun burgerrechten en hun scholen en kerken liet hij sluiten. Vele hugenoten namen opnieuw de wijk. In Engeland, NoordNederland en Pruisen bijv. waren zij zeer welkom, want zoals reeds aangeduid ze waren waardevolle economische krachten, ijverig en bekwaam (veel knowhow). De Franse economie begon er zelfs onder te lijden. Een emigratieverbod en gedwongen bekeringsacties waren het gevolg: kinderroof, afpersing, inkwartiering (dragonnades). Predikanten werden gevangen gezet en meestal tot de galeien veroordeeld. Omdat er zogenaamd geen protestanten meer waren trok de koning in 1685 het edict van Nantes in. Naar schatting 500.000 hugenoten waren het land ontvlucht. De vele nouveaux convertis, onder dwang bekeerden, verzwakten uiteindelijk de roomse kerk, daar afkeer bij hen overheerste. De onverschilligheid en vrijdenkerij hebben niet voor niets als eerste in Frankrijk hoge toppen gescheerd. De achtergeblevenen waren nog niet aan het einde van hun
lijden. De wrede behandeling ging voort. In de Cevennen begon in
1702 een opstand van de camisards (camise
= hemd, kiel). een goed georganiseerd verzet wist enkele jaren
grote legermachten op een afstand te houden. En ookal werd ook
deze opstand tenslotte in veel bloed gesmoord, duizenden bleven
bijeenkomen op eenzame plaatsen om kerkdiensten te houden. Vooral
de naam van de predikant Antoine Court is aan deze
periode verbonden. (16951760). Als een Église du désertbleef
de hugenotenkerk bestaan. Na 1729 leidde ds. Antoine Court
predikanten voor Frnakrijk op in Lausanne. Zijn opvolger Paul
Rabaut (17181794) waagde evenveel. Pas na 1752 luwde de
vervolging enigszins, ook doordat de philosophes zich af
en toe inzetten voor een grotere tolerantie. Zo heeft Voltaire
bijv. de pen opgenomen na de gerechtelijke moord op Jean Calas:
een protestantse pendant van de Dreyfussaffaire. Het is
uiteindelijk de revolutie in 1789 die de protestanten (net als in
België) de godsdienstvrijheid schenkt. Nakomelingen van de
"Réfugiés" noemen zich ook vandaag nog graag 'hugenoten',
ook als ze de belijdenis der vaderen allang niet meer toegedaan
zijn. Wat stelt het hugenotenkruis voor?
Het oorspronkelijke aanhangsel onderaan was peervormig, volgens sommigen een kruikje (teken van de zalving van de Franse koningen? of met de Geest?), volgens anderen een traan (teken van het lijden der Franse protestanten). Omstreeks 1688 is dit peervormig aanhangsel vervangen door de duif, het symbool van de Heilige Geest.
Telt men alle punten (parels en lelies) bij elkaar op, dan krijgt men het getal 12, overeenkomstig de 12 artikelen van het 'algemeen en ongetwijfeld christelijk geloof, waarvan de hugenoten zich belijders wisten. 1. 1 Volgens protestantse opvatting is er naast
de H. Schrift geen andere gezagsinstantie (zoals bijv. de
traditie) en aangezien de Schrift zelf geen uitgewerkte kerkorde
of ambtenleer bevat, is de vormgeving van de kerk, de organisatie,
een geestelijke zaak en dient dus 'theologisch' te geschieden, d.w.z.
recht te doen aan 'hoe God in Christus zijn kerk regeert'. Een
protestantse kerkorde mag dus twee dingen nìet doen:
|
This site was last updated donderdag, 19 augustus 2010