Kerstliedjes

   

Home
Up
Liedboek dichters
Nieuwe Liedboek
Vluchtheuvelzangen
Veni Emmanuel
Wat is liturgie ?
Willem Barnard
Kerkliederen
Souterliedekens
psalmen - vogelvlucht
Boetepsalmen
Kerstliedjes

KERSTLIEDJES

oorsprong en achtergond

Oh ja, hier nog wat interne links voor een kerstverhaal, achtergrond bij de Kerststal, en een kerstmeditatie.

 

 

Als u iemand vraagt om de eerste regel van ‘Komt allen tezamen’ te zingen weet u meteen of hij protestant of katholiek is. Zingt hij namelijk: ‘Komt allen tezamen, jubelend van vreugde’ is hij protestant. Zingt hij ‘Wij komen tezamen, onder ‘t sterrenblinken’, is hij roomskatholiek, zeker als hij ook nog eens met Adeste fideles en venite adoremus op de proppen komt. Dezelfde test kunt u uitvoeren met het laatste couplet van ‘Nu zijt wellekome’. Wijzen uit het Oosten (prot) – D’heilige drie Koon’gen (r.k.). Ook bij het universele ‘Stille Nacht’ gaan beide christelijke confessies na de ‘heilige nacht’ uiteen in: Davids Zoon, lang verwacht (prot) – Alles slaapt, sluimert zacht (r.k.).

Ook denken wij vaak dat veel kerstliedjes ‘oud’ zijn, en soms is dat juist, maar nog veel vaker misleiden wij onszelf, of laten wij ons misleiden. Veel van die kerstliederen verschijnen pas voor het eerst in druk in de 19de eeuw met de vermelding trad. (= traditioneel kerstlied), of Oud Vlaamsch Kerstlied. U moet echter niet verbaasd zijn, als ze niet veel ouder zijn dan de 18de eeuw, of zelfs gewoon 19de eeuws. Ik behandel hieronder enkele van de bekenste voorbeelden.

 

NU ZIJT WELLEKOME

Chr. Quix (1825) weet te melden hoe in de Münsterkirche te Aken in de 13de eeuw dit lied reeds gezongen werd: Nun siet uns willekomen, hero Kerst, zong men dan. Hoe hij aan die kennis komt en of dat lied iets te maken heeft met ons lied (d.w.z. net zo klonk als ons ‘Nu zijt wellekome’) vermeldt hij niet. Dat laatste is zeer onwaarschijnlijk, want wij weten namelijk met zekerheid, dat het in de Middeleeuwen in onze contreien gebruikelijk was om tijdens de Kerstmis een welkomstgroet te brengen aan de nieuwgeboren Heer, inderdaad in bovenstaande trant of bijv. zo: Syt Wellecome, heere Christ / want ghy onser alder Heere bist. (14de eeuwse toevoeging aan een 10de eeuws evangelieboek). Op grond van bijgeschreven muzieknoten kan een melodie van gregoriaanse kleur (wrsch. dorisch) worden gereconstrueerd, die echter niet veel van doen heeft met de ons bekende. Pas in de 16de eeuws duiken anonieme vier-stemmige zettingen op van een melodie, die wel erg verwant is aan de ons bekende melodie. Hier vindt u een PDF-bestand (of klik op de afbeelding) met een modern-genoteerde anonieme 16de-eeuwse zetting (tenminste, dat stond er toch boven bij mij, maar ja...):

Lekker parallel zingen (heel zuiver!) en dan naar het einde toe de bewegingen...: niet zo moeilijk en prachtig voor de kerstmis, bij voorkeur a capella... "Onze" melodie verschijnt in druk 1605 (Leysenboeck der Catholycken) en daarna ook in Hymni ofte Loff-sangen (1615) het eerste officieel goedgekeurde, maar nooit in gebruik genomen, gezangboek van de Nederlandse Hervormde Kerk. Het lied zoals wij het kennen dateert dus uit de 17de eeuw en is qua tekst en melodie overgenomen uit Salomon Theodotus’ bundel met de mooie titel: Paradys der gheestelycke en kerckelycke lof-sangen (1621, ('s-Hertogenbosch). Eén couplet is in het Liedboek weggelaten (Christe Kyrieleison) en naast kleine tekstmoderniseringen heeft men de boven reeds genoemde wijziging van ‘de heilige drie koningen’ in ‘wijzen uit het Oosten’ uit de bundel van 1938 overgenomen. Gelukkig heeft men de laatste regel (was: Ontferm u Heer)  weer in z'n oorspronkelijke staat herstelt, nl. kyrieleis.  Dan snap je tenminste waarom men zo'n lied een leis noemt... Om de middeleeuwse sfeer ook in de spelling te proeven, ziehier een meer oorspronkelijke versie (ook in het Nieuwe Liedboek - 476):

Nu syt wellecome, Jesu lieven Heer,
Ghy komt van also hoghe, van also veer;
Nu syt wellecome van den hoghen hemel neer;
Hier al in dit aertrijck sijt ghij ghesien noijt meer.
Kyrieleis.

Christe Kyrieleison laet ons singhen blij,
Daermeed oock onse leysen beghinnen vrij;
Jezus is gheboren op den heyligen Kersnacht
Van een maghet reyne, die hoogh moet sijn gheacht.
Kyrieleis.

D'herders op den velde hoorden een nieu liedt,
Dat Jezus was gheboren, sij wisten 't niet:
"Gaet aen geender straten en ghij sult hem vinden klaer,
Bethlem is de stede daer 't is geschiet voorwaer.
Kyrieleis.

D'heylighe drie koon'ghen uyt soo verren landt,
Sij sochten onsen Heere met offerhandt
S'offerden ootmoedelyck myrh, wierook ende ghoudt,
Teeren van den kinde dat alle dinck behoudt.
Kyrieleis.
 

STILLE NACHT

Het meest bekende kerstlied aller tijden Stille Nacht, Heilige Nacht stamt uit 1818 en is geschreven door de Oostenrijkse kapelaan Joseph Mohr. Het verhaal gaat, dat het orgel in de Sankt-Nikolaus-Kirche (Oberndorf) vlak voor kerst was uitgevallen vanwege een lek in het dak. Dus moest men zich wat behelpen. Gelukkig was er een kerkkoor en kon de onderwijzer-koster-organist (Franz Gruber) behoorlijk gitaar spelen. Op 24 december kreeg hij de tekst van Stille Nacht van de kapelaan en zette zich aan het werk. Hij bedacht een twee-stemmige melodie voor tenor en bas. Het geheel kon eenvoudig begeleid worden met enkele gitaarakkoorden. Tijdens de nachtmis vond de première plaats. Gruber speelde gitaar en zong de bas, kapelaan Mohr nam de tenorpartij voor zijn rekening en het parochiekoor zong de herhaling van de slotregels van elk couplet. De zegetocht kon beginnen. ‘t Schijnt trouwens dat er bij het overschrijven een fout in de melodie is geslopen. De voorlaatste regel (u weet wel, waar je zo verschrikkelijk hoog moet opeens) zou verkeerd gekopieerd zijn vanuit de sopraansleutel en zou eigenlijk een terts lager gezongen moeten worden. De oorspronkelijk partituur is verloren gegaan en de vraag blijft of het hele verhaal niet een legende is van de categorie: Si non è vero, è ben trovato.

Het was een typisch rooms kerstlied: romantisch, suikerzoet: holder Knabe im lockigem Haar. Niets voor protestanten dus, ware het niet, dat de heer J. IJserinkhuijsen rond 1900 vond dat zijn Evangelisch-Luthers zangkoor (hij was tenor) eens wat nieuws te zingen moest krijgen. Hij schreef een ‘Nederlands lied op de melodie van het Duitse “Stille Nacht, heilige Nacht”, waarvan de tekst op de eerste regel na weinig gemeen heeft met het Oostenrijkse origineel (wat niet wil zeggen, dat de kwaliteit veel beter is). Via de bundels van H.W.S., Woensel Kooy en Johannes de Heer werd het ook een protestantse klassieker. Incontournable bleek, toen het Liedboek voor de Kerken het niet wilde opnemen. Het moest en zou er in. De Gereformeerde Kerken dreigden er mee uit het project te stappen, omdat hun achterban het nooit zouden accepteren als het niet in het multi-kerkelijke Liedboek zou zijn opgenomen.

 

MIDDEN IN DE WINTERNACHT

Dit lied lijkt heerlijk oud, en is sinds enkele decennia doorgedrongen tot de top 10 van Nederlandse kerstliederen. Toch is het veel jonger dan menigeen denkt. Het klink namelijk wel mooi ‘naïef’, deze rondedans van de zingende en spelende herders, zo archaïsch en arcadisch. Het werd echter pas in mei 1948 voor het eerst gepubliceerd in de bundel Tafelrede en andere gedichten door H.L. Prenen. Het is dan ook van zijn hand. Harry Prenen was dichter, schrijver en goede vriend van Godfried Bomans. De officiële titel luidde: Rondeau der herders. In december van hetzelfde jaar verscheen het – met een verbeterd refrein – met muziek. De ondertitel luidde nu: Catalaans Kerstlied. Nederlandse tekst H.L. Prenen. Begeleiding Jan Mul. (Wegens copyright-kwestie heb ik de tekst van dit lied van mijn website moeten verwijderen. Maar hier staat het ook...) En in het Nieuwe Liedboek (486).

De melodie is inderdaad oud en is vooral bekend van 17de -18de eeuwse orgelsuites met Noels van Daquin, Balbastre en Dandrieu. Het lied heet dan: Quand le sauveur Jésus Christ… of Bon Joseph, écoutez moi… Een Catalaans (of in elk geval: Spaans) origineel blijkt inderdaad te bestaan: El Desembre congelat, zij het dat Harry Prenen zich vrij ten opzichte van dit origineel beweegt (gelukkig, zou ik zeggen). De motieven van dit lied (herders, fluiten, trommels, dierenvrede, spontaan bloeiende natuur) getuigen in elk geval zowel van bijbelkennis als van enig gevoel voor laat-Middeleeuwse kerstbeleving. En zeg nou zelf: de voorstelling van spontaan in bloeien uitbarstende bomen midden in de winternacht etc. ‘heeft’ wel iets. Hoe beroemd dit lied is, en hoe geseculariseerd onze samenleving, blijkt uit deze versie, opgetekend uit de mond van een kleuter, die zong, vermeld bij Aarts en Van Etten (zie onder).

            Midden in de winternacht

            Ging de Hema open...

 

DE HERDERTJES LAGEN BIJ NACHTE

Ook dit populaire Nederlandse kerstlied wordt vaak ouder geschat dan het is. Het werd voor het eerst gepubliceerd door de gebroeders Alberdingk Thijm in hun bundel Oude en nieuwere kerstliederen (1852). Van dit lied vertelt Thijm, dat het met Kerstmis door arme kinderen te Utrecht langs de straten werd gezongen. Het zou een 'Katholieke kunstenares'  uit de volksmond zijn opgetekend, meldt hij in het voorwoord. Heel instructief is wat C.J. Aarts en M.C. van Etten in hun boekje over de oorsprong van dit kerstlied melden. Een bloemlezing:

  •  ‘Al is de tekst hier en daar ook wat ver-Thijmd, toch ligt over ‘t geheel (tekst en muziek) nog iets van dat kinderlijk-blije, iets wat het volk direct aanspreekt en blijft pakken.’  (E. Bruning, 1934)

  •  ‘Oud-Nederlandsch kerstlied uit de 17de eeuw, dat in de vorige eeuw door de arme kinderen te Utrecht langs de straat werd gezongen.’ (G. van Ravenzwaaij in Com nu met sang (1942) = citaat van de toelichting van J.Alberdingk Thijm (z.o.)

  •   ‘Zoals uit verschillende gebruikte woorden (“vernamen” in de tweede strofe en “bevalen” in de derde) blijkt, stamt het al uit de middeleeuwen.’ (Ed. van Eeden, 1992, NB. Dit is de 'analyse' van L. Verwilst, Rondom Kerstmis (1931), bl. 63.)

Vreemd is dat dit lied vóór 1852, het jaar waarin de gebroeders Alberdingk Thijm hun bloemlezing met kerstliedjes uitgaven, zo nergens wordt aangetroffen. Enkel in Geestelycke Kers- en Nieuwe Jaers Liedtjens uit Enkhuizen [ca. 1700], herdrukt begin 19e eeuw (!) staat een vers dat op het eerste lijkt: De herdertjes vermoeden / Aldaar zij lagen in 't veld, / De schaapjes die zij hoeden: / 't Was om te verdienen haar geld. / Zij hoorden Gods engelen zingen / Toen scheen er een licht zeer klaar / Naar Bethlehem was 't dat zij gingen, / Al in dat Nieuwe Jaar.

Michel van der Plas (biografie: Vader Thijm, 1995) vermoedt dat J.A. Alberdingk Thijm de eigenlijke schrijver is van de tekst, waarin hij zijn uiterste best heeft  gedaan om de ‘volkstoon’ te treffen. De 'katholieke kunstenares' die het optekende uit de mond der Utrechtse straatkinderen zou wel eens uit het rijk der fabelen kunnen komen en vooral ingevoerd zijn om een rookgordijn op te trekken rondom de de vrije bewerking en uitbreiding van het bepaald niet sterke Enkhuizer liedje. Met succes blijkbaar! De melodieën in de bloemlezing uit 1852 werden, voor zover ze niet te achterhalen waren, door broer Lambert gecomponeerd. Dat weten we dan ook weer. N.B.: in couplet 3 staat wel degelijk dat de herders hun schaapjes aan de engelen ter weiden bevalen en niet: te weiden. ‘bevalen’ = verl. tijd van ‘aanbevelen’ en ‘ter weiden’ = op de weide.

J.A. Alberdingk Thijm

KERSTLIED

 

De herdertjes lagen bij nachte,

Ze lagen bij nacht in ‘et veld;

Ze hielden vol trouwe de wachte;

Ze hadden de schaapjes geteld:

Daar horen zij de Engelen zingen

Hun liederen vloeiend en klaar;

De herders naar Bethlehem gingen:

‘t Liep tegen het Nieuwe Jaar.

 

Toen zij er te Bethlehem kwamen,

Daar schoten drie stralen door-een:

Een straal van omhoog zij vernamen;

Een straal uit het krebje beneên;

Toen vlamde er een straal uit hun ogen,

En viel op het Kindeke teer;

Zij stonden tot schreiens bewogen,

En knielden bij Jesus neer.

 

Maria die bloosde van weelde,

Van ootmoed en lieflijke vreugd;

De goede Sint Joseph, hij streelde

Het Kindje, der mensen geneucht.

De herders bevalen ter weiden

Hun schaapjes aan de Engelenschaar.

‘Wij kunnen van ‘t kribje niet scheiden,

Wij wachten het Nieuwe Jaar.

 

Och Kindje, och Kindje, dat heden,

In ‘t needrige stalletje kwaamt,

Ach, laat ons uw paden betreden:

Want Gij hebt de wereld beschaamd.

Gij komt om de wereld te winnen;

De machtigste Vijand te slaan:

De kracht uwer liefde van binnen

Kan wereld noch hel weerstaan.’

 

Er is een roos ontloken

Oorspronkelijk een Duits Marialied: de 'roos' is in de (mystieke) Middeleeuwse poëzie een vast beeld voor Maria. Men versierde haar afbeeldingen met een kroon of bos van rozen (in middeleeuws Latijn 'rosarium'). En ter vervanging van het psalmgebed kon men ook 150 Weesgegroetjes bidden; om die te tellen gebruikte men kralen die per tiental aaneengeregen waren ofwel knopen die in een touw gelegd waren: de rozenkrans. In deze tekst wordt voortgeborduurd op de profetie van Jesaja, dat er een nieuwe loot uit de afgehouwen tronk van Isai (= vader van David; Jesse in de Latijnse vertaling) zal komen: in Joodse en Christelijke traditie gelezen als een Messiaanse profetie. Deze profetie wordt a.h.w. uitgebreid naar de moeder van de Messias, moeder. Protestanten konden dit niet meteen meemaken, en de blijkbaar niet alleen muzikaal inventieve Michael Praetorius kwam op het idee om deze roos te laten verwijzen naar Maria's kind. Door een regel te wijzigen in het tweede couplet werd de referent aangepast. Dan nog even de verwijzing naar Maria's ongeschonden maagdelijkheid verwijderen (laatste regel, beetje knullig gewijzigd, maar goed) en ook protestanten konden het zingen zonder gewetensbezwaren. Later generaties - strengere protestanten - vonden dit niet genoeg en vervingen de woorden Ros en Röslein door de direct bijbelse woorden uit Jesaja 1; Reis en Reislein. Onnodig en geen groot succes: tegen een rode roos die bloeit in de winter kun je toch niet op ! Hieronder de orginele Duitse versies, met daarnaast de respectieve Nederlandse versies. Let op de ingenieuze manier waarop Jan Wit dit gemengde lied tot een nieuwe betekenis-, beeld-, en klankrijke eenheid heeft herschapen. De zetting van Michael Praetorius heeft dit lied incontournable gemaakt. EXTRA: Tijdens de nazi-tijd is een profane herdichting gemaakt (minder kerstkind, meer vruchtbare moeder) waarbij de verwijzing naar 'Jesse' (= Isai = vader van de Joodse koning David) in het eerste couplet werd gesupprimeerd: von Jesse kam die Art > von wundersamer Art.

 

Duits, katholiek

Speyerer Gasangbuch (1599)

Duits, protestants

Praetorius (1609)

Nederlands, katholiek

Nederlands, hervormd

bundel 1938

(Woensel Kooy?)

Nederlands, protestants

Liedboek 1973 (Jan Wit)

En in rk zangboeken
 

 

1. Es ist ein Ros entsprungen
aus einer Wurzel zart,
wie uns die Alten sungen,
von Jesse kam die Art
und hat ein Blümlein bracht
mitten im kalten Winter,
wohl zu der halben Nacht.

 

Es ist ein Ros entsprungen
aus einer Wurzel zart,
wie uns die Alten sungen,
von Jesse kam die Art
und hat ein Blümlein bracht
mitten im kalten Winter,
wohl zu der halben Nacht.

Er is een roos ontsprongen
uit ene wortelstam;
die, lijk ons d’ouden zongen,
uit Jesse 't leven nam;
nu heeft zij bloem gebracht,
in 't midden van de winter,
in 't midden van de nacht.

Een roze, frisch ontloken,
uit teeren wortel kwam,
want d'oudheid had gesproken:
"Zij bloeit uit Jesse's stam"
Die heeft een bloem gebracht
al in den kouden winter
te midden van den nacht.

Er is een roos ontloken
uit barre wintergrond,
zoals er was gesproken
door der profeten mond.
En Davids oud geslacht
is weer opnieuw gaan bloeien
in 't midden van de nacht.

 

2. Das Röslein, das ich meine,
davon Jesaia sagt,
ist Maria die reine,
die uns das Blümlein bracht.
Aus Gottes ewgem Rat
hat sie ein Kind geboren
und blieb ein reine Magd.

Das Röslein, das ich meine,
davon Jesaia sagt,
hat uns gebracht alleine
Marie die reine Magd.
Aus Gottes ewgem Rat
hat sie ein Kind geboren
wohl zu der halben Nacht.

 

O rozenstruik, Maria,
O alderpuurste Maagd:
van u zingt Isaias,
van 't bloemken, dat gij bracht;
want eeuwig in Gods raad
lag dat gij 't Kind zoudt baren
tot alder wereld baat.

Die bloem van wond'ren luister,
waarvan Jesaja sprak,
bloeid' op, toen door het duister
het licht der wereld brak.
Toen is in stillen nacht
Maria's kind geboren,
dat ons Gods heilwoord bracht.

Die roos van ons verlangen,
dat uitverkoren zaad,
is door een maagd ontvangen
uit Gods verborgen raad.
Maria was bereid,
toen Gabriël haar groette
in 't midden van de tijd.

 

 

3. Das Blümelein so kleine,
das duftet uns so süß,
mit seinem hellen Scheine
vertreibt's die Finsternis:
Wahr' Mensch und wahrer Gott,
hilft uns aus allem Leide,
rettet von Sünd und Tod.

 

Wij bidden u Maria
om 't Kind dat op u loech,
om deez’lief bloemkes smarten,
die het voor ons verdroeg:
wil ons toch hulpe zijn,
dat wij U mogen maken
een woning fraai en fijn.

Die bloem, zoo klein en teder,
met haren geur zoo zoet,
brengt ons de zonne weder,
die 't duister wijken doet.
O Jezus, mensch en God,
bij U is wel geborgen
ons aardsch en eeuwig lot.

Die bloem van Gods behagen
heeft, naar Jesaja sprak,
de winterkou verdragen
als allerdorste tak..
O roos als bloed zo rood,
God komt zijn volk bezoeken
in 't midden van de dood.

 
  4. Lob, Ehr sei Gott dem Vater,
dem Sohn und heilgen Geist!
Maria, Gottesmutter,
sei hoch gebenedeit!
Der in der Krippen lag,
der wendet Gottes Zoren,
wandelt die Nacht in Tag.
 
       
  5. O Jesu, bis zum Scheiden
aus diesem Jamerthal
Laß dein Hilf uns geleiten
hin in der Engel Saal,
In deines Vaters Reich,
da wir dich ewig loben:
o Gott, uns das verleih!
 
       

 

 


Geraadpleegde bronnen: Compendium bij het Liedboek voor de Kerken (1977) en C.J. Aarts en M.C. van Etten, Komt allen tezamen, oude en nieuwe kerstliedjes in hun oorspronkelijke versie, 1999)

 

Dick Wursten, Kerst 2003

 

 

 

 

 

This site was last updated
 december, 2013