|





|
|
fundamentalisme als uitdaging
Het fundamentalisme... Je kunt geen krant openslaan of je ziet het
woord wel staan. De term wordt gemakkelijk in de mond genomen, vooral in
combinatie met de ‘angst voor de opkomende islam’. Panische vormen neemt die
angst soms aan. Nu: paniek lost niets op en door iets wat je bang maakt van een
negatief etiket te voorzien ben je niet van je angst af. Dat is even intelligent
als een struisvogel die bij naderend gevaar de kop in het zand steekt. Dus: hoog
tijd om ‘de fundamentalist’ eens in het gezicht te zien, het fundamentalisme te
onderzoeken.
Fundamentalisten wijzen over het algemeen de ‘Verlichting’ (Aufklärung,
Enlightenment; 18de eeuw, de ‘moderne tijd’) aan als bron van al het ‘kwaad’. En
ze bedoelen dan vooral het feit dat sinds de Verlichting de autonomie van de
mens wordt gepropageerd (de mens als ‘maat van alle dingen’, als onbetwiste
heerser over alles: ni Dieu, ni Maître… Omdat tegelijk de menselijke
rationalieit het voor het zeggen krijgt neemt de natuurwetenschap (en techniek)
een hoge vlucht, daarbij worden allerlei oude geloofsinzichten onderuit gehaald
(o.a. door de evolutieleer) en de ‘hypothese God’ lijkt steeds meer overbodig.
Eerste paradox: De zelfde fundamentalisten die deze ontwikkelingen
afwijzen (tot ‘zondebok’ benoemen), blijken toch zelf ook kinderen van de
moderne tijd te zijn. Zo schuwen ze bijv. het gebruik van de moderne technologie
niet om hun antimoderne principes te verkondigen (denk aan de Amerikaanse
TVdominees). Hierin zijn ze zelfs meer ‘bij de tijd’ en onkritischer dan veel
moderne gelovigen. Ook zijn ze heel erg gefixeerd op het individueel zieleheil,
wat een typisch moderne insteek is, want in de oude tijd dacht men eerst
collectief en dan pas individueel. Daar worden ‘volken’ aan God verbonden via
hun koning, daar worden ‘hele huizen’ in een keer gedoopt als de ‘heer des
huizes’ zich bekeert.
Tweede paradox: Een recent verschijnsel is dat we momenteel ook het
omgekeerde vaak gebeurt: Veel zogeheten verlichte, moderne, zichzelf tolerant
achtende mensen overladen ‘het fundamentalisme’ (m.n. de islamitische variant
ervan) met alle zonden Israels. ‘Fundamentalist!’ is een scheldwoord geworden.
Veel (na de val van ‘de Muur’ vacant gekomen) vijandsbeelden worden op
fundamentalistische bewegingen geprojecteerd.
Als zo over en weer de ‘zwarte piet’ wordt toegespeeld dan wijst dat er vaak
op dat beide partijen eigenlijk met gelijksoortige angsten en onzekerheden
worstelen, maar die proberen ‘af te geleiden’. De ander als zondebok. Vluchten
voor de eigen schaduw. Ik wil in dit opstel proberen wat dieper te kijken in de
ziel van een fundamentalist, zonder zwartepieten uit te delen of in het
zondebokmechanisme te vervallen. Ik wil met andere woorden het fundamentalisme
als uitdaging zien.
Er zijn meerdere definities van fundamentalisme mogelijk. Ik hanteer een vrij
gebruikelijke en noem een stroming ‘fundamentalistisch’als ze de volgende drie
kenmerken tegelijk heeft:
-
absoluut gezag van een heilig boek
-
doorgedreven organisatie van gelijkgezinden
-
militant optreden in de openbare ruimte
Historisch gezien is het fundamentalisme een christelijk fenomeen. Het
woord is ‘gemunt’ in 1920 toen een journalist de naam gaf aan een groep
radicale, orthodoxe en conservatieve protestanten (in de USA) die zich heftig
verzetten tegen de niet te stuiten liberalisering van theologie, kerk èn
samenleving. De ‘eerste fundamentalisten’ voelden zich aangesproken door een
reeks van 12 boekjes, die tussen 1910 en 1915 waren verschenen onder de titel:
Fundamentals, A testimony to the Truth. Zij richtten hun pijlen vooral op de de
historischkritische analyse van de bijbel en beleden daartegenover een absoluut
goddelijk gezag van de bijbel over de hele linie. Zuiverheid in de leer was af
te meten aan een aantal onverkort te handhaven geloofstukken (‘fundamentals’),
o.a. de maagdelijke geboorte, verzoening door voldoening, verwachting van de
wederkomst, 1000jarig rijk. Voeg bij dit ontzag voor het heilig boek de
propaganda om tot organisatie van gelijkgezinden over te gaan (in verenigingen,
scholen, partijen etc.) en een actiefagressief optreden op het publieke terrein
en de definitie van fundamentalisme is compleet.
Meestal wordt enkel het eerste kenmerk genoemd, maar ook de laatste twee zijn
noodzakelijk om van fundamentalisme te kunnen spreken. Het tweede kenmerk
(organisatie van gelijkgezinden) is een noodzakelijke voorwaarde om van
fundamentalisme te kunnen spreken in onderscheid van 'gewone orthodoxie' en het
derde kenmerk is nodig om fundamentalisme van 'sectarisme' te kunnen
onderscheiden, waarmee het overigens de eerste twee kenmerken vaak
gemeenschappelijk heeft. Fundamentalisten geven echter de wereld niet op, secten
uiteindelijk wel. Secten, fundamentalisten en orthodoxen hebben meestal een
negatieve kijk op de wereld. Een secte gaat één stap verder (naar mijn aanvoelen
is die ene stap cruciaal): een secte schrijft de wereld daarbuiten af. Zij
betreedt die openbare ruimte slechts om mensen daaruit weg te halen naar de
'safe haven' van de sectegemeenschap. Die doorgedreven groepsvorming is niet enkel een typekenmerk, maar ook een machtsmiddel binnen sectarische bewegingen. Sociologen noemen dat een
‘gulzige gemeenschap’: de gemeenschap eist vrijwel alle activiteiten van een
persoon opeist, controleert alle levensgebieden en trekt zo een muur van deugdzaamheid
op ter bescherming tegen invloeden vanuit de buitenwereld, die ‘verdorven’
is. .
Het actieve en
agressieve optreden in de openbare ruimte onderscheidt ‘fundamentalisme’ dus juist van secten. Secten geven de ‘wereld’ daarbuiten op en trekken zich eruit terug in een ‘communaal leven’. Fundamentalisten eisen daarentegen de hele buitenwereld op
voor ‘God’. Zij zijn militant. Het taalgebruik is dat van een strijd, niet
alleen ter verdediging van de eigen enclave, maar ter verovering van de wereld.
Nog één opmerking: Pas vanaf de jaren ’70 wordt de term ‘fundamentalisme’ ook
toegepast op stromingen buiten het protestantse Amerika en met de nodige
wijzigingen van toepassing verklaard op stromingen binnen nietchristelijke
godsdiensten. Pas sinds de jaren ’80 nemen ook nietchristelijke
fundamentalistische bewegingen deze term over om zichzelf aan te duiden. Met dat
het een scheldnaam werd, werd het namelijk ook een geuzennaam.
Fundamentalisme is vaak een reactie op een agressief secularisme dat er aan
vooraf gegaan is. Het speelt zich ook in eerste instantie af binnen een reeds
bestaande godsdienst, waar ‘liberalen’ de toon aangeven. Fundamentalismen zijn
‘worlds in opposition’ (Martin Marty); primair tegen de eigen godsdienst, maar
van daaruit ook tegen de hele seculiere (westerse) wereld.
Bij een agressieve reactie doe je er meestal verstandig aan eerst zicht te
krijgen op de emotionele drijfveer, de existentiële motor achter zo’n reactie,
voor jezelf reageert. Waar zijn ze bang voor? Wat drijft hen precies tot hun
protest en extreme opvattingen. Wie een beetje kan/durft luisteren die merkt al
snel dat achter het harde fundamentalisme (dat zich zo zeker en agressief
opstelt) angst voor verlies schuilgaat, verlies van waarden, houvast en
veiligheid.
De sombere eindtijdsscenario’s, het agressieve optreden tegen bepaalde
‘misstanden’ kunnen verstaan worden als uitingen van het gevoel dat in de
moderne samenleving (met z’n technologische, kille, economische redelijkheid)
dat wat echt waardevol is, systematisch wordt ontheiligd. En wat echt belangrijk
is wordt bedreigd of zelfs vernietigd: God, de familie, het leven.
Fundamentalismen willen die seculiere wereld bestrijden of terugwinnen voor God.
Lukt het niet op grote schaal (kruistocht, moraalridders, jihad), dan toch in
ieder geval binnen de eigen groep (discipline, onderdrukken van bepaalde
menselijke gevoelens of bepaalde groepslede (meestal vrouwen), sectarische
trekken).
Je kunt je overigens afvragen of fundamentalisten hier niet een vinger op een
wonde van de westerse samenleving leggen, ookal verwerp je hun remedie. De reden
dat er vaak zo hevig tegen fundamentalisten tekeer wordt gegaan is misschien wel
hierin gelegen dat de oplossingen en opvattingen die zij met zoveel aplomb
poneren zoveel lijken op degenen die ons ontvallen zijn. Wat zij propageren is
toch het fijne ‘hemelse baldakijn’ dat vroeger de christelijke kerk óók over de
wereld probeerde te spannen? We reageren misschien zo hevig op fundamentalisten
omdat ze niet enkel de vinger op een wonde leggen, maar die ook nog eens met
‘zout’ inwrijven als ze hun oplossingen presenteren. Het zijn degenen waarin wij
niet meer geloven kunnen.
Goed, we verwerpen hun remedies en methoden. Voor een geschoold theoloog is
dat ook niet zo moeilijk, want er zitten veel zwakke plekken in de theoretische
verantwoording van de fundamentalistische ideologie (reductie van het
Schriftgezag tot de letter en de historie, weinig gevoel voor de noodzaak van
vertolking (hermeneutiek) van oude teksten: Wil je vandaag hetzelfde zeggen als
gisteren, moet je het anders zeggen etc.). Maar zo wil ik het deze keer eens
niet doen. Want dit soort argumenten zijn eigenlijk alleen maar strategische
argumenten, die de uitdaging van het fundamentalisme neutraliseren en er voor
zorgen dat je het verschijnsel van je af kunt houden. Je kunt je zelf dan wijs
maken dat je ‘erboven staat’ of dat je het ‘overwonnen hebt’. Dat is
intellectueel dan misschien wel het geval, maar op een dieper niveau is dat niet
persé juist. We kunnen het woord van Jezus niet ernstig genoeg nemen: Wat
ziet gij de splinter in het oog van uw broeder, maar de balk in uw eigen oog
bemerkt gij niet...
Het fundamentalisme houdt een spiegel voor, zei ik in het begin. het zou wel
eens kunnen, dat we – juist omdat we zo fel ‘tegen’ zijn – in het
fundamentalisme onze eigen ‘schaduw’ ontwaren. Dat is een term uit de
psychologie van C.G. Jung, die daarmee aanduidt dat in ieder mens naast de
persoon die hij naar buiten toe is èn ook zelf denkt te zijn, ook nog een andere
mens schuilgaat, die – als hij niet gekend wordt – zich op het onverwachts kan
manifesteren (meestal in onverwacht hevige reacties). Wil je daardoor niet
overrompeld worden, dan leer je je schaduw best op voorhand wat kennen. Ik zie
vier dingen die ons daarbij zouden kunnen helpen, aan het denken zetten:
-
de blijvend ongelukkige verhouding van religie en moderniteit. Voor veel
‘gewone gelovigen’ bestaat er ook een gespannen verhouding tussen de
leefwereld van kerk (en bij uitbreiding: van het gezin) en de seculiere
‘wereld daarbuiten’. Rondom het ‘bidden’ komt de gespletenheid van deze
werkelijkheidsbeleving vaak aan het licht. In de ene wereld is het
vanzelfsprekend, in de andere absurd. Het enige verschil met de fundamentalist
is, dat de laatste vanuit kerk en gezin zijn visie wil uitbreiden naar de hele
samenleving (door een krachtig engagement) en dat de ‘doorsneegelovigen’ zich
– zij het vaak ongemakkelijk – neerleggen bij ‘de twee wereldentheorie’ en de
facto toestaan dat de buitenwereld meer en meer de leefwereld gaat bepalen.
-
fundamentalisten herinneren ons er aan, dat in onze eigen traditie een
enorm potentieel aan agressie zit. Wij zeggen graag dat het om liefde, vrede
en verzoening gaat in onze godsdienst (en breiden dat trouwens zonder veel
onderzoek gaarne uit naar alle godsdiensten). Maar is dat niet veel te
idealistisch gedacht ? Zit in de overtuiging dat in één persoon, Jezus
Christus, een universele waarheid zich heeft geopenbaard niet een potentieel
aan agressie (minimaal psychologisch). Je kunt dat wel relativeren, kaderen,
maar er zit een claim in, een waarheidsclaim en dus ook een oordeel over de
hele werkelijkheid. Hoeveel teksten in ons bronboek schetsen ook het al of
niet aanvaarden van deze boodschap in een schema van zwartwit, levendood.
Historisch besef, contextbepaaldheid, gevoelens van onzekerheid zijn in de
bijbel zèlf meestal ver te zoeken.
-
Fundamentalisten spreken vaak en graag in donkere kleuren over zonde,
schuld, toorn en verwerping. Ervan uitgaande dat ook dit spreken een ‘world in
opposition’ is, kun je je afvragen: waartegen verzetten zij zich dan met hun
soms extreem dreigende uitingen omtrent God, met hun negatieve waarschuwende
preken. Tegen een trivialisering van God in het doorsneechristendom, een
domestificatie van het heilige ? Ik doe maar een gooi.
-
Ook de apocalyptische toonzetting van hun boodschap (het einde van de
wereld is nabij), de fixatie op de ondergang is veelzeggend en vooral hun
eindeloos gepuzzel om er toch vat op te krijgen. Waar komt die angst vandaan?
Zou die niet de ‘schaduw’ van ons vooruitgangsgeloof kunnen zijn. Het
vooruitgangsgeloof dat eigenlijk allang gefalsifieerd is, dat niet klopt.
Heeft iemand de dingen eigenlijk nog wel in de hand ? Of slaat iedereen er
maar een slag naar ? Wie kan ontkennen, dat de totale ondergang nog steeds een
reële mogelijkheid is, soms maar een duimbreed weg, zowel nucleair als qua
leefmilieu. Als wanhopige vooruitgangsgelovigen blijven wij plannen maken om
het onder controle te krijgen, maar juist zo bedriegen we onszelf, omdat wij
de controle al lang verloren zijn. Zouden wij het misschien zijn die hier aan
‘verdringing’ lijden. Ik doe opnieuw maar een suggestie.
Met wat ik hierboven heb proberen te doen met het fundamentalisme, namelijk
een genuanceerde bechrijving en een zo positief mogelijke evaluatie ervan maken
door me op de motieven achter de (meestal onsympathieke) verschijningsvormen te
richten, heb ik een denkbeweging gemaakt, die mij mijlenver van de
fundamentalisten heeft verwijderd. Zij verzetten zich juist tegen zo’n
benadering. Daarin ligt naar mijn aanvoelen ook het echte gevaar van alle
fundamentalismen.
Antwerpen, mei 2004 ds. Dick Wursten
literatuur:
-
Karen Armstrong, De strijd om God. een geschiedenis van het
fundamentalisme, Amsterdam 2000
-
Anton van Harskamp e.a., Fundamentalisme, tussen afkeer en herkenning,
Zoetermeer 1999 (m.n. het eerste opstel uit deze bundel (van de redactor zelf)
heb ik geplunderd voor dit artikel, waarvoor dank en excuses...)
|