Zomaar wat, of 'Hoe niet over God te spreken'
Over het leven als ‘wonder’, over een ‘rest’, over
‘God’, over niets dus...
1. wonder
Geloof en leven zijn niet los
van elkaar verkrijgbaar. Dat is mijn basisovertuiging. Je kunt gelovig zijn
of ongelovig zijn, in beide gevallen heeft dat z’n gevolgen voor de
manier waarop je in het leven staat, voor wie je ‘bent’, filosofisch gezegd:
het kwalificeert je zijn. Voor mij heeft het te maken met iets wat ik nog
nooit beter heb horen verwoorden dan in dit kleine gedichtje van A. Marja:
Wij leven allen
in het Wonder.
Als wie
slaapwand’lend droomt te waken,
lopen we ons
droomwijs te maken,
dat ‘t leven
gewoon is,
maar ‘t is
bijzonder.
Voor mij is de ‘visie op het
leven’ die dit gedicht verwoordt het eerste mysterie van het geloof. Dat
ik besef, hoe bijzonder het is dat ik lééf, dat ik er bèn: dat is het begin
van geloven. Dat kwalificeert mijn ‘zijn’. Aan die overtuiging vast te
houden (ook dwars tegen veel in dat er tegen spreekt), is voor mij de
oerwerking van het geloof. Wat een voorrecht is het om er simpelweg ‘te
zijn’, te mogen léven (niks bijzonders, niks erop en eraan, gewoon puur:
léven met de mensen en de dingen om je heen): meer moet dat niet zijn! Het
tegenovergestelde van een gelovige is voor mij dus niet atheïst, maar een
nihilist (= iemand, die ontkent dat ook maar iets zin heeft, inclusief zijn
eigen bestaan). Iedereen die met mij op de bres wil staan voor de
bescherming van dit mysterie is mijn partner, vindt in mij een
bondgenoot: Jood, humanist (incl. niet-nihilistische atheïsten), boeddhist,
moslim....
Er is meer tussen hemel en
aarde dan de menselijke ratio zoals die gewoonlijk wordt gebruikt kan
bevatten. De schuin gedrukte bepaling bij ‘ratio’ is voor mij wel essentieel,
want ik meen dat wij de mogelijkheden van onze veelzijdige rationaliteit
lang niet ten volle benutten. Misschien kunnen we beginnen met ons oordeel
over veel zaken eens op te schorten, vanuit de idee dat we veel dat wel
belangrijk is nog niet goed hebben "vernomen".[1]
Maar, voor we
ons in speculaties verliezen – terug naar onze basispositie – geloven speelt
zich
af in het leven.Zo is er in elk geval zeker meer tussen mensen dan de economische
wetmatigheden van onze maatschappij kunnen regelen...
De uitwassen van het
functionaliteitsdenken, bijv. het gefixeerd zijn op prestaties,
performativiteit, of iets minder abstract: de obsessie met groei en de
heiligverklaring van hebzucht: zij verstikken het geheim, het wonder...
Daar is werk aan de winkel, voor ieder die gelooft dat er nadat we alles
wat we weten en kunnen hebben benoemd het meest wezenlijke over de mens
nog niet gezegd is.
2. er is een rest...
In het economisch productie- en consumptie proces, het
‘systeem’, zijn we een schakeltje in de keten. Binnen de evolutie van de
wereld en de ‘soort’ mens zijn we een schakeltje in een eindeloze keten. In
het eindeloze heelal zijn wij een stofje, meer niet. Maar er is een
rest... We kunnen het niet accepteren, dat dit alles is, dat ons
leven slechts betekenis heeft als elementje in het systeem. We blijven
opstandig. We blijven ongelovig, we blijven ons verzetten. En wel
omdat het verlangen ons drijft naar het verrukkelijke van het leven,
niet het virtuele maar het echte leven, en omdat we de tragedie van het onschuldig
lijden niet kunnen accepteren. Het is misschien maar een kleine rest, een
vonkje onder de as, maar het is er. Als we ons verlangen volgen en de echte glans van het leven
zoeken, dan kunnen we niet accepteren dat er geen ander laatste woord
zou klinken, ooit. In de huidige maatschappij wordt dat diepe verlangen
geneutraliseerd door de verlangensmachines van de moderne media, die het
verlangen stiekum transformeren in een behoefte die kan worden bevredigd,
en zelfs meteen, waarna het verlangen hopeloos en
sprakeloos achterblijft. Opkomen voor dat verlangen, strijden tegen het leegzuigen
ervan door verlangensmachines middels snelle behoeftenbevrediging vind ik
een basisbezigheid van het geloof. Dat is een spiritualiteit van
verlangen en verzet.., een zaak dus ook om het stille en stemmeloze
te beschermen tegen de tirannie van de hardstroepende.
[2]
3. bijbel
Dat is natuurlijk nog erg algemeen allemaal, meer een bepaalde
spiritualiteit, religiositeit dan een geloofsovertuiging. Een protestant -
zoals ik - zou geen protestant zijn als
de bijbel er geen rol in zou spelen. Dat klopt, want de bijbel gaat daar ook
over volgens mij, dat wil zeggen: over
alles, want geloof en leven... afin, u weet het inmiddels wel. De Schrift (en dus dat levendige gedoe
vol verlangen en verzet, menselijk, al te menselijk, waar de bijbel vol van
is)
heeft een centrum, beter een gravitatiepunt, en dat is voor mij de passie
van Jezus van Nazareth. Hij
is de Christus, zoals de Griekse vertaling van de Joodse titel Messias
luidt [hoort u hoeveel verlangen er in dat woord zit] Leven in zijn g(G)eest,
je verlangen laten resoneren met zijn passie, je verzetten als acte van
vertrouwen, dat is voor mij ‘geloven dat Jezus de Christus’ is, of in
één zinswending: ‘geloven in Jezus Christus’.
Het gaat mij bij al mijn filosofische belangstelling dus als
christen niet om
- een of andere
abstracte filosofische waarheid
- een hoeveelheid
dogma’s (groot of klein), die geslikt moet worden
- een bepaalde
moraal die je moet aannemen
- een bepaalde kerk
waar je lid van moet zijn
neen, het gaat over en draait in mijn geloof om ‘leven en
sterven’ en wat daarin, daarbij, daartegen, ‘Christus’ te zeggen heeft.
Mijn verdere Godsbeeld is vaag; het wil zich
niet losmaken van het verhaal dat in de bijbel verteld wordt en het wil al
helemaal niet samenvallen met enig officieel beeld dat mij later is
bijgebracht. De Naam van God is heilig, en wordt niet uitgesproken,
wel aangeroepen. Geen gesneden beeld,
ook niet in de taal. Geen beeld, geen naam. Maar wat er wel is en blijft is
een hardnekkig gecultiveerd vermoeden dat het bestaan van de wereld en van
de mensen niet een platvloerse en totaal vanzelfsprekende aangelegenheid
is, waarover ooit het laatste woord gezegd kan worden.
4. G’d
Comment ne pas parler… ‘Hoe
niet te spreken over G’d?’
Derrida schrijft dat het eigenlijk onmogelijk is over God te
spreken. Het ‘onderwerp’ is onuitsprekelijk [en kan eigenlijk nooit
‘onderwerp’ zijn], en daarom is elke uitspraak over God – hoe waar ook – ook
een leugen. Ik probeer om – als ik over G’d spreek – zo weinig mogelijk
‘God’ te zeggen. Anders gezegd: in mijn theologie is de plaats van God leeg,
en in mijn existentie manifesteert Hij zich vanuit een niet-zijn (Wat
bedoel je? Wees eens concreet! Nou, een verhaal bijvoorbeeld). Waarom doe ik zo moeilijk? Ach, de realiteit waar ooit de
drie letters g-o-d naar verwees, die is zo goed als verdampt in West-Europa.
En wat overblijft vervult me niet met enthousiasme: in het dominante
discours van degenen die zich 'echte gelovigen' noemen, is de oude G'd geketend, machteloos
gebonden aan de letter van een oud boek. Men gebruikt zijn naam vooral om
menselijke claims te versterken door ze ontegensprekelijk te maken
(fundamentalisme) en zich niet te hoeven bezig houden met het complexe en
ambiguë dat alle menselijke activiteit nu eenmaal kenmerkt: Holy
ignorance. Een angstig vermoeden heb ik: dat wij gelovigen, en met name
de protestanten, veel te veel over God gepraat hebben: wat weten we veel over God, boeken vol hebben we geschreven. Het
is me steeds meer als geklets in de oren gaan klinken. Een poging om door
middel van beroep op een hoger gezag de eigen macht en invloed te
versterken en te ontsnappen aan echte bestaansverantwoording. Daarom gebruik ik het woord niet graag meer.
Vooruit: als ‘G’d’ nog enige betekenis heeft, dan is het
voor mij de aanduiding van het raadsel van ons bestaan, het wonder ten
diepste. Het geheim, dat samenhangt met de zin van het leven, een geheim
waarover het past met huivering te zwijgen. Ik laat zijn plaats
leeg, zoals het Heilige der Heiligen in de tempel van Jeruzalem leeg
was, zeker na de ballingschap toen zelfs de ark verdwenen was. Alle
Godsbeelden, ook de bijbelse, zijn projecties op dat grote
voorhangsel, dat het allerheiligste afsluit. Als Jezus sterft – rijk détail
– scheurt dat gordijn (Mat. 27:54) en onthult het niets. En dan
begint het christelijke geloof pas. Het niets, de leegte, is de plaats van
de mogelijkheden, het object van de hoop tegen hoop, dat G’d een plaats
vindt, plaatsvindt, gebeurt, al was het maar even. Zo gaat het Evangelie dan
ook verder.
Om de metafoor nog even vol te houden: De lege ruimte,
het niets, de spatiëring maakt de tekens verstaanbaar, maakt inktvlekken tot
schrift, en doet het woord geboren worden. Zonder de leegte, zonder het
niets, kan geen zin geschreven worden, geen woord gevormd. Zelfs de materie – zo vertelt men mij – is er enkel
dankzij de leegte tussen de elementaire deeltjes. Ik kom in de verleiding om
te spreken over de stilte en de leegte van de woestijn, waarin de thora wordt
vernomen, over het geluid van een zachte koelte (niets dus) waarin G’d zich
meldt (1 Kon. 19:9‑18), over het beeldverbod (Ex. 20:4), over die
merkwaardige zin waarmee Franz Rosenzweig zijn eerste boek van de Stern
der Erlösung begint: ‘Von Gott wissen wir nichts. Aber dies Nichtwissen
ist Nichtwissen von Gott’.
|