|
||
| maandag, 07 januari 2013 |
|
|
HET OUDSTE KERSTLIEDVeni Redemptor Gentium / Nun komm der Heiden Heiland
|
| Ambrosius 4de eeuw | Letterlijke vertaling | J. M. Neale (1818-1866). | Metrisch (dw) 2007 |
| Intende qui regis Israel Super cherubim qui sedes, Appare Ephrem coram, excita Potentiam tuam et veni. |
Toon u, die Israel regeert, die zetelt boven de cherubs verschijn bij ephraim, wek op uwe macht en kom. |
Toon u, koning Israels Boven englen zetelt gij Aan uw volk, verschijn, wek op uwe macht, o God, en kom. |
|
| 1. Veni, Redemptor gentium; Ostende partum virginis; Miretur omne saeculum. Talis decet partus Deo. |
Kom, verlosser der volken Toon de maagdelijke geboorte dat de hele wereld zich verwondere. Zo'n geboorte behaagt God . |
O COME, Redeemer of the earth, and manifest thy virgin-birth. Let every age in wonder fall: such birth befits the God of all. |
Kom, die ‘t heil der volken draagt, Kom tot ons, o kind der Maagd, Heel de wereld sta verstomd, Hoe God mens'lijk tot ons komt. |
| 2. Non ex virili semine, Sed mystico spiramine Verbum Dei factum est caro, Fructusque ventris floruit. |
Niet uit het zaad eens mans maar door mystieke beademing is het woord Gods vleesgeworden en bloeide de vrucht der schoot |
Begotten of no human will but of the Spirit, Thou art still the Word of God in flesh arrayed, the promised fruit to man displayed. |
Niet door man en macht, maar door 's Geestes stem die klinkt in 't oor wordt Gods Woord ons bijgebracht in de schoot die Hem verwacht. |
| 3. Alvus tumescit virginis. Claustrum pudoris permanet; Vexilla virtutum micant, Versatur in templo Deus. |
De schoot van de maagd zwelt op het slot van haar kuisheid blijft; De vanen der deugd stralen, in haar tempel verkeert God. |
The Virgin's womb that burden gained, its virgin honor still unstained. The banners there of virtue glow; God in his temple dwells below. |
Zwellen gaat de moederschoot van de maagd, nog rozerood, want de deugd waait trots de vaan God komt in zijn tempel aan. |
| 4. Procedat e thalamo suo, Pudoris aula regia, Geminae gigans substantiae Alacris ut currat viam. |
Hij schrijde uit zijn bruidsvertrek, paleiszaal der schroomvalligheid, reus, van tweeling-substantie, opdat hij snel zijn weg lope. |
Proceeding from His chamber free that royal home of purity a giant in twofold substance one, rejoicing now His course to run. |
Kom dan uit uw kamer, kom, koningszoon en bruidegom; Held, die God en mens verbindt, vind en loop uw weg gezwind ! |
| 5. Egressus eius a Patre, Regressus eius ad Patrem ; Excursus usque ad inferos Recursus ad sedem Dei. |
Zijn uitgang is van de Vader Zijn teruggang is tot de Vader Zijn uitstap gaat tot in de hel Zijn terugkeer tot Gods troon. |
Van de Vader daalt Hij neer, tot de Vader keert Hij weer, ook de hel zal hij doorstaan om ten hemel op te gaan. |
|
| 6. Aequalis aeterno Patri, Carnis tropaeo accingere, Infirma nostri corporis Virtute firmans perpeti. |
Gelijke van de eeuwige Vader Omgord u met de trofee van't vlees, de zwakke leden van ons lichaam, versterkend met uw blijvende* kracht. |
O equal to the Father, Thou! gird on Thy fleshly mantle now; the weakness of our mortal state with deathless might invigorate. |
eeuwig Godgelijk zijt gij, Gord nu aan, ons sterflijk lijf En vervul het zwakste deel met uw kracht: o Heiland, heel. |
| 7. Praesepe iam fulget tuum, Lumenque nox spirat novum, Quod nulla nox interpolet Fideque iugi luceat. |
Reeds straalt Uw kribbe, en ademt de nacht een nieuw licht, dat geen nacht er nog tussenkome en door het geloof eeuwig schijne. |
Thy cradle here shall glitter bright, and darkness breathe a newer light where endless faith shall shine serene and twilight never intervene. |
Stralend staat de kribb' en wacht tot het licht wordt in de nacht. Zonlicht, dat nooit wordt gedoofd, eeuwig licht voor wie gelooft. |
| 8. Gloria tibi, Domine, Qui natus es de virgine, Cum Patre et sancto Spiritu, In sempiterna saecula. |
All praise, eternal Son, to Thee, whose advent sets Thy people free, whom, with the Father, we adore, and Holy Ghost, for evermore. Amen. |
Prachtig lied, maar... waar gaat het eigenlijk over ??
Hoe bekend, verspreid en geliefd dit lied ook moge zijn, de inhoud is
niet meteen toegankelijk.
Luthers Duitse vertaling helpt niet zoveel. Ze is - zacht gezegd - gewrongen. Latijn is
sowieso al beknopter als Duits en Ambrosius' streeft er naar in zijn hymnen om
het nog beknopter te zeggen (Zeer dichte taal, echte dichterstaal). Luther
volgt Ambrosius op de (vers-)voet wat in het Duits tot strompelen leidt. Onze liedboekversie (gezang
122 (zb) van J.W. Schulte Nordholt loopt veel beter, maar van de grote paradoxen van Ambrosius
is hier weinig overgebleven en de betekenis is - met alle respect voor JWS - een
beetje zoek geraakt..
Een kindje of een bruidegom ??
Eerst lijkt het te gaan over een ‘kind, dat uit z'n kamer klein’
wordt geroepen. Vervolgens moet hij zijn weg gaan ‘als een held’...
en dat allemaal
als 's
hemels zonneschijn .... in één couplet.
Pas als je het origineel, dwz
Ambrosius en Luther, er naast legt wordt het duidelijk. Het woord 'kindje' valt in de oorspronkelijk hymne,
noch bij Luther. Wat een verademing: eindelijk een kerstlied zonder kindje in
de kribbe..
Het gaat in dit couplet niet over een kind dat uit z’n kamer moet komen,
maar over een bruidegom die uit zijn slaapkamer (of bruidsvertrekt: Latijn thalamus), tevoorschijn wordt geroepen. Die kamer wordt gedefinieerd als een koninklijke zaal (aula regia). Het gaat dus om een koningszoon, die
vorstelijk, triomfantelijk moet verschijnen. Je vraagt je af: om z’n bruid te gaan halen... of is het al de the morning after... (Latijn:
thalamus). Ik denk het eerste: de koninklijke zaal, zijn slaapkamer, bruidsvertrekt is vermoed ik de maagedelijke moederschoot (het is de koninklijke zaal der pudor).
Daar kon ik me wat bij voorstellen: Zo zag men dat vroeger graag: De menswording
van Christus is de komst van de bruidegom die zijn bruid, de christusgemeente,
komt halen.. of de viering van hun vereniging, de consummatie van de god-menselijke verbintenis, het verbond.
De zon en de held..
En hoe zit het dan met zijn tocht langs het hemelgewelf zoals een zon,
zoals een held ?
Dit stuk is linia recta weggelopen uit Psalm 19, waar het opgaan van de zon
(vers 5-7) beschreven
wordt alsof de zon een
bruidegom is die uit het bruidsvertrek tevoorschijn komt om jubelend als een
held zijn pad te lopen van het ene einde des hemels tot het andere. Niets blijft
voor haar gloed verborgen. Dit beeld betreft Ambrosius zonder verpinken op Christus betrok.
Hij is niet voor niets de godfather van de allegorische schriftuitleg. Met Kerst vieren we volgens Ambrosius
dus de komst - ik zeg het nu eens innnig - van de
bruidegom van onze zielen, die als zonne der gerechtigheid het duister op
aarde verlicht... Daarom straalt zijn kribbe in de nacht... met een
ongekende pracht, want zijn geboorte is wel zeer bijzonder...
U ziet het het: Ambrosius is voluit bijbels bezig, zij het op een heel eigen manier. Zo is bijv. het hele tweede couplet (door Luther nog wel, maar door JWS niet meer vertaald) samengesteld uit Schrifttaal, bijbelverwijzingen.
Non ex virili semine, Joh 1:13
Sed mystico spiramine Lukas 1:35
Verbum Dei factum est caro, Joh 1:14
Fructusque ventris floruit. ps 126, 127, 131, 132 + Lk 1:42
De Reus en de Tweelingen (Gemini)
En in het reeds genoemde vierde couplet verzoorzaakt de aanwezigheid van psalm 19
(overigens (later?) de introitus van 4de Advent) niet alleen dat er een bruidegom komt met Kerst, maar ook dat de twee naturenleer verschijnt. In de latijnse tekst (Vulgata) staat immers niet dat de zon opkomt als een 'held', maar als een 'reus' (gigas). En reuzen, dat weet u zijn dubbelwezens: Zij zijn gelinkt aan het verhaal van het illegale huwelijk tussen de godenzonen en de vrouwen der mensen (= dubbelwezens à la de griekse 'heroën'') uit Genesis 6:1-4. Hier dus "Geminae gigas substantiae".. letterlijk: de reus der dubbele natuur. Welk sterrenbeeld kan deze mare het best verkondigen aan het uitspansel (Ps 19!): De tweelingen (Gemini). Astro-mythologie in dienst van het kerkelijk dogma!
De Maagd Maria
Maria doet in volle schroomvalligheid (haar schoot is de aula regia pudoris) en ongeschonden
maagdelijkheid, maar vol verwachting mee... De 3 à 4 coupletten die
Ambrosius aan haar wijdt als eewig maagd, zijn bij Luther al ingeperkt tot 1 à 2
en in gezang 122 tot één regel (slotzin van vers 1). Dat kan natuurlijk
niet: Voor Ambrosius hoort de Maagd Maria wezenlijk thuis in dit lied. Zij is
het beeld van de kerk, de jonkvrouw rein, die vol verlangen uitziet naar
haar grote liefde en die volgaarne in haar schoot ontvangt. Typisch
dubbelzinnig beeld van de jonge kerk, die niet uitgekeken raakte op het wonder
van de goddelijke geboorte uit de Maagd Maria... om ons mensen en ons behoud..
Reden genoeg om een nieuwe berijming te maken (zonder pretentie: een herberijmeling ). Ik heb dat gedaan met behulp van het Liedboek en met de volledige vertaling van Ambrosius' hymne in het boek 'hymnen' eveneens van de hand van J.W. Schulte Nordholt.... Het resultaat ziet u boven.
De Melodie
De oorspronkelijke gregoriaanse melodie is vereenvoudigd en voor gemeentezang geschikt
gemaakt. Zoals gezegd heeft ze een heel symmetrische bouw: de regels 1 en 4 zijn gelijk en regel 3 is de omkering van
regel 2.
Dit lied is - begrijpelijk - ontelbaar vaak getoonzet: van eenvoudige liedzettingen tot en met
complete Cantates: o.a. de Bachse cantates nrs. 36, 61 en 62 (voor de eerste
Adventzondag, de enige van de boetedagen van Advent, dat er versierde kerkmuziek klonk in
Leipzig).
Kerstfeest 2005 ©
Dick Wursten
herzien en aangevuld met vertalingen, Advent 2007.
Volledige & wetenschappelijke analyse door Gebhard Kurz in Jahrbuch für Liturgik und Hymnologie (2003), p. 105-161.
LUTHER's lied.
Luther's vertaling en Schulte Nordholt's vertalingen van Luther's vertaling. De versie in de 102 gezangen (proefbundel) is bewust vrij, omdat Schulte Nordholt zich realiseerde dat het lied van Ambrosius/Luther voor een niet in de tale kanaäns geschoolde lezer een gesloten boek blijft. De Liedboekcommissie vroeg hem enkele al te grote vrijheden te wijzigen...
| Luther 1524 | Schulte Nordholt, 102 gezangen 1965 |
Schulte Nordholt, Liedboek 1973 gezang 122 |
|
Nun komm der Heiden Heiland, der Jungfrauen Kind erkannt; dasz sich wunder alle Welt, Gott solch Geburt ihm bestellt. |
Kom tot ons, o kom met macht, Heiland, kom de wereld wacht. Licht dat in de nacht begint, kind van God, Maria’s kind. |
Kom tot ons, de wereld wacht, Heiland, kom in onze nacht. Licht dat in de nacht begint, kind van God, Maria’s kind. |
|
Nicht von mans Blut noch von Fleisch allein von dem Heil'gen Geist ist Gotts Wort worden ein Mensch und blüht ein Frucht Weibes Fleisch. |
||
|
Er ging aus der Kammer sein Dem könglichen Saal so rein, Gottt von Art und Mensch, ein Held, sein Weg er zu laufen eilt. |
Kind dat uit uw kamer klein, als des hemels zonneschijn op de aarde wordt gesteld, gaat uw weg zoals een held. |
Kind dat uit uw kamer klein, als des hemels zonneschijn op de aarde wordt gesteld, gaat uw weg zoals een held. |
|
Sein Lauf kam vom Vater her Und kehrt wieder zum Vater, fuhr hinunter zu der Höll und wieder zu Gottes Stuhl. |
Uit 's Vaders hand daalt Gij neer, tot den Vader keert Gij weer, die de hel zijt doorgegaan en hemelwaarts opgestaan. |
Gij daalt van de Vader neer, tot de Vader keert Gij weer, die de hel zijt doorgegaan en hemelwaarts opgestaan. |
|
Dein Krippen glänzt hell und klar, die Nacht gibt ein neu Licht dar, Dunkel musz nicht kommen drein, der Glaub bleibt immer im Schein. |
Uw kribbe blinkt in de nacht door het licht dat speelt en lacht dat het donker openbreekt en dat ons hart zalig spreekt. |
Uw kribbe blinkt in de nacht met een ongekende pracht. Het geloof leeft in dat licht waarvoor al het duister zwicht. |
|
Lob sei Gott dem Vater g’tan, Lob sei Gott, seim ein’gen Sohn, Lob sei Gott dem Heilgen Geist, immer und in Ewigkeit. |
Lof zij God in ‘t hemelrijk, Vader, Zoon en Geest gelijk, nu en overal altijd, nu en tot in eeuwigheid. |
Lof zij God in ‘t hemelrijk, Vader, Zoon en Geest gelijk, nu en overal altijd, nu en tot in eeuwigheid. |
* in strofe 6 wordt "perpeti" vaak niet vertaald, nochtans is het gewoon een ablativus van het bijv. naamwoord perpes,-etis = blijvend. (met dank aan dr. W. Mineur) [terug]
This site was last updated zondag, 06 januari 2013