|
Met Petrarca op vakantie…
- dat is nog eens echt een berg
beklimmen -
In veel boeken wordt de beklimming van de Mont Ventoux op 26 april
1336 door Francesco Petrarca (samen met z’n broer en enkele bedienden) als het
begin van de Nieuwe Tijd beschouwd. Hij beklimt die berg namelijk ‘zomaar’, of
zoals hij zelf schrijft: louter uit begeerte om zijn bijzondere hoogte nader
in ogenschouw te nemen. En dat is nieuw. Tot dan toe beschouwde men bergen
enkel als obstakels, hindernissen om ergens te geraken. Petrarca zou dan de
eerste toerist zijn = een mens die een berg beklimt enkel om boven
geweest te zijn en het uitzicht te hebben gezien.
Vervolgens laat Petrarca zijn blik dwalen over het landschap en – nog steeds
volgens dezelfde handboeken – ziet hij het landschap niet meer als “een symbool
van Gods bedoeling en scheppingsmacht”, maar geniet er gewoon van.
Reisgidsauteurs (de allerlaatsten in een keten van afschrijvers) durven het
zelfs wel eens zo te formuleren: Petrarca is de eerste die het landschap ziet
zoals het is. Dat ze daarmee zichzelf te kijk zetten als platdenkers
hebben ze meestal niet door.
Afin: Tijd om Petrarca zelf eens aan het woord te laten. Hij heeft namelijk
verslag gedaan van zijn tocht in een prachtige Latijnse brief. Na een zeer
moeizame tocht omhoog, waarbij zijn broer (die later monnik werd) de korte en
rechte weg naar de top bewandelde, en hij zelf wel tot drie keer toe een andere
weg koos, die hem gemakkelijker leek, maar waardoor hij in plaats van te klimmen
tot de vaststelling moest komen dat hij aan het dalen was, beschrijft hij het
uitzicht alsvolgt:
“Eerst stond ik daar als een verdwaasde,
overweldigd door de ongewone atmosfeer en het onbelemmerde uitzicht. Ik kijk om
me heen; een wolkendek was onder mijn voeten. En nu ik op een minder beroemde
berg met eigen ogen zag wat ik gehoord en gelezen had over de Athos en de
Olympus, werden die bergen ineens veel minder onwezenlijk voor mij. Hierna
wendde ik mijn blik in de richting van mijn geliefde Italië. Ik zag die massief
oprijzende en met sneeuw bedekte bergketen, de Alpen, waar ooit die onbehouwen
vijand van alles wat Romeins was overheen trok… Het leek me alsof ze vlakbij
waren, hoewel ze toch heel ver weg liggen.”
Dat klinkt inderdaad als het wat bloemrijke commentaar bij een vakantiefoto
van een echte toerist, maar vergis u niet. Nadat hij dit beeld op zich heeft
laten inwerken verzinkt hij in een overpeinzing van het leven dat hij de
afgelopen jaren heeft geleid. Hij gaat zitten en stelt zichzelf de vraag:
‘Stel dat je de kans zou krijgen gedurende nog
eens tien jaar dit vluchtige leven verder te leiden en in hetzelfde tempo te
blijven vorderen op de weg naar de deugd […], zou je dan […]de dood tegemoet
kunnen treden en het resterende deel van je leven, je oude dag, zonder spijt
kunnen opgeven?’
Dat zijn niet meer typische gedachten van een moderne toerist bovenop de Mont
Ventoux. Dat zijn al meer de gedachten van een pelgrim. Ja het wordt nog erger.
Bovenop de berg kijkt hij zijn ogen niet meer uit, maar geeft hij zich volledig
over aan introspectie, totdat hij beseft dat het avond wordt en dus hoog tijd om
terug te gaan.
“Ik draaide me om en keek naar het westen. De
grenswal tussen Frankrijk en Spanje, het Pyreneeëngebergte, is daarvandaan niet
te zien […]. Wel waren aan de rechterkant de bergen van de Lyonese provincie te
zien,en aan de linkerkant was de zee die Marseille en de muren van Aigues‑Mortes
bespoelt duidelijk zichtbaar, hoewel er in beide gevallen toch een afstand van
enkele dagreizen tussen ligt. De Rhône zelf was vlak onder ons zichtbaar.
Toch toerist ? Je zou het bijna zeggen, zeker als hij een boekje opdiept uit
z’n reistas, zo’n klein handig boekje: een reisgids ?....
Terwijl ik met aandacht en verwondering naar
dit alles keek en daarbij nu eens dacht aan aardse zaken en dan weer, naar het
voorbeeld van mijn lichaam, mijn geest deed opstijgen naar hoger sferen, kwam de
gedachte bij mij op het boek “Belijdenissen” van Augustinus op te slaan
[…]; ik draag het altijd bij mij. Het formaat van het boekje is klein, maar wat
er in staat, is geweldig. Ik sloeg het open om te gaan lezen waar het openviel,
want waarop kon mijn oog anders vallen dan op een vrome en devote tekst?
Toevallig viel het open bij het tiende boek. Mijn broer, die verwachtte iets van
Augustinus te horen, stond er aandachtig met gespitste oren bij. God en hij die
bij mij was, zijn mijn getuigen dat ik las wat stond op de plaats waarop ik het
eerst mijn oog liet vallen:
‘En de mensen gaan om te bewonderen
de hoogten van de bergen
en de machtige golven van de zee
en de brede stromen van de rivieren
en de gang van de oceaan
en de omloop van de hemellichamen,
en zij verlaten zichzelf.’
Ik was met stomheid geslagen, en dan druk ik
het zwak uit. Mijn broer wilde graag nog meer horen, maar ik vroeg hem mij met
rust te laten en deed het boek dicht. Ik was boos op mezelf, omdat ik nog steeds
aardse zaken bewonderde, terwijl ik toch allang, zelfs van de filosofen der
heidenen, had kunnen leren dat
‘niets wonderbaarlijk is behalve de geest,
en dat niets groot is vergeleken bij zijn grootheid’.
De berg had ik tot tevredenheid gezien. Nu
richtte ik mijn inwendige blik op mijzelf, en vanaf dat moment heeft niemand mij
nog een woord horen zeggen, totdat we bij de voet van de berg waren gekomen. Dat
citaat had me genoeg stof tot nadenken gegeven. Ik kon niet geloven dat dit me
toevallig was gebeurd. Ik had het gevoel dat alles wat ik daar had gelezen, voor
mij persoonlijk was gezegd en niet voor een ander.
Inderdaad een ‘reisgids’, maar wat voor één ! Eentje voor pelgrims, niet
voor toeristen. De tekst zelf (èn Petrarca’s andere geschriften, inclusief zijn beroemde
sonnetten voor Laura) stellen duidelijk dat óók voor Petrarca de tocht
naar binnen veel belangrijker is dan de uitwendige tocht. Het verslag
van zijn bergbeklimming is enkel verstaanbaar als één grote allegorie of
parabel: Lees maar, er staat niet wat er staat ! Volgens mij is het zelfs als
zodanig geconcipieerd. Petrarca is m.a.w. niet de godfather van de toeristen,
maar het prototype van de pelgrim, die zijn aardse omwandeling aangrijpt
om een geestelijke tocht te maken. Plots begin je zelfs te twijfelen of Petrarca die berg wel ècht beklommen
heeft. Waarom zou hij ? Het was toch maar de Mont Ventoux, de mons ventosus
(de winderige berg: “alles is ijdelheid, najagen van wind”). Heel die
onderneming is hem ingegeven door begeerte en als je Augustinus meeneemt op een toch ingegeven door begeerte, dan is het met de oppervlakkigheid wel gedaan. En dan nog: zijn omwegen, zijn ‘errores’: hoe zat het daar ook al weer mee ?
Petrarca:
“Mijn broer liep langs de kortste weg omhoog
en sneed daarbij de weg af, via de kammen. Ik kon dat niet opbrengen en bleef
liever op minder steil terrein. Toen mijn broer naar me riep en me een kortere
route wees, antwoordde ik dat ik hoopte dat de bestijging via de andere kant
gemakkelijker zou zijn, en dat ik niet terugdeinsde voor een langere tocht, als
ik daarbij over redelijk vlak terrein kon lopen. Dat was mijn excuus voor mijn
traagheid. Terwijl de anderen al hoog gestegen waren, liep ik nog door dalen te
dolen, zonder dat ik ergens een gemakkelijker pad vond …”
En iets verderop:
“en liet me opnieuw verleiden mijn weg te
kiezen via lager gelegen delen. Weer liep ik door dalen en door het zoeken naar
het gemak van de lange weg kreeg ik te kampen met langdurig ongemak. Ik stelde
namelijk het inspannende klimmen steeds uit, maar de natuur der dingen laat zich
door gedachten van mensen niet veranderen. Het is onmogelijk dat iets
stoffelijks door af te dalen een top bereikt. […]
Om deze episode zelf voor ons te verklaren met:
“Daar liet ik mijn gedachten hun snelle vlucht
nemen van stoffelijke naar onstoffelijke zaken, en sprak ik mezelf als volgt
toe: 'Besef dat dit, wat je vandaag bij de beklimming van deze berg meermalen
hebt ervaren, jou en vele anderen ook overkomt op de weg naar het gelukzalige
leven. De mensen realiseren zich dat niet zo gemakkelijk, omdat de bewegingen
van het lichaam openlijk zichtbaar zijn maar die van de geest onzichtbaar en
verborgen. Het leven dat wij het gelukzalige noemen, bevindt zich op een hoge
plaats; een smalle weg, zegt men, leidt daarheen. Onderweg rijzen vele heuvels
op en men moet met glorieuze schreden van deugd naar deugd gaan. Op de top is
het einddoel van alles, het einde van de weg: daar ligt de bestemming van onze
reis. […] jij, Francesco Petrarca,wat weerhoudt je dan? Klaarblijkelijk niets
anders dan de weg langs de laagste aardse genietingen, die minder steil is en op
het eerste gezicht geschikter lijkt. Maar het is van tweeën één: hoe lang je ook
hebt rondgedwaald, bezwaard door de last van de dom voor je uit geschoven
inspanning, het is óf de top van het gelukzalig leven bereiken óf uitgeput
neertuimelen in de diepten van je zonden.
Het is duidelijk. Wie Petrarca als reisgids meeneemt op vakantie en tijdens
een moeilijke bergbeklimming opslaat, moet niet vreemd staan te kijken als óók
hij van toerist in pelgrim verandert:
God geve dat ik die reis, waarnaar ik dag en
nacht verlang, mag voltooien met een geestkracht die even groot is als de
lichaamskracht waarmee ik vandaag alle moeilijkheden heb overwonnen en de
voettocht heb volbracht.
Dick Wursten, zomer 2004
bron: Francesco Petrarca, De top van de Ventoux, vertaald, ingeleid en
van aantekeningen voorzien door Chris Tazelaar, Ambo-klassiek 1990
|