|
Ik ontving volgende originele gedichten van George Herbert
(1593-1633) tesamen met een Nederlandse vertaling van Max Staudt.
De auteur schreef er "licht meditatieve toelichtingen" bij.
Alles tesamen een mooie kennismaking met deze beroemde Engelse dichter,
wiens werk nog steeds op een integrale Nederlandse vertaling wacht. Voor een kort antwoord op de vraag: Wie was/is die
George Herbert eigenlijk ?
Klik hier.
|
The Altar
A broken ALTAR, Lord, thy servant reares,
Made of a heart, and cemented with teares:
Whose parts are as thy hand
did frame;
No workman’s tool hath touch’d the same.
A HEART alone
Is such a stone,
As nothing but
Thy pow’r doth cut.
Wherefore each part
Of my hard heart
Meets in this frame,
To praise thy name:
That, if I chance to hold my peace,
These stones to praise thee may not cease.
O, let thy blessed SACRIFICE be mine,
And sanctifie this ALTAR to be thine. |
|
Het altaar
‘t Gebroken ALTAAR, Heer, dat uw knecht bouwt,
Een hart is ‘t - tranen wat het samenhoudt,
Elk stuk is door uw hand gemaakt:
Geen werkman heeft er aan geraakt.
Een HART alleen
Is zulk een steen
Als slechts uw kracht
Ten onder bracht.
Daarom: elk part
Van mijn hard hart
Komt hier tesaam
En prijst uw Naam:
Dat, als mijn stem mij ooit begeeft,
Hier nóg uw lof in stenen leeft.
O, laat uw OFFERGAVE mijn deel zijn,
En heilig dit ALTAAR: het mijn als dijn. |
Met dit gedicht opent The Church, de centrale afdeling van The Temple.
Gedichten in een patroon zijn geen uitvinding of specialiteit van
Herbert. The Altar is ook niet zijn meest aansprekende gedicht. Het
formele en weinig expressieve is hier echter een bewuste keuze. Net over
de drempel van de kerk, voegt de dichter zich in een uiterlijke vorm.
Bij dit zich voegen passen nog geen ontboezemingen. Dat in de nu
betreden ruimte plaats zal zijn voor alles wat in een mens omgaat wordt
hoogstens aangeduid in de opmerkelijke beginwoorden: ‘een gebroken
altaar’ - niet een gebroken hart als offergave (Psalm 51:19), ook niet
een gaaf altaar dat uit een gebroken hart werd gemaakt. Het patroon
staat als een belofte tegenover de gebrokenheid.
Bij nader toezien roept het gedicht
enkele vragen op. Op een altaar brengt de mens zijn gaven voor de
godheid - maar de verhouding in de voorlaatste regel is eerder
omgekeerd. Het offer is hier groter dan het altaar en heiligt dit, in
plaats van andersom. Is ‘uw knecht’ trouwens wel helemaal dezelfde als
‘ik’? En de woorden ‘if I chance to hold my peace’, laten die zich niet
mede lezen als een milde zelfkritiek (vgl. Lucas 1:20)? In de vertaling
gaat deze nuance helaas verloren.
|
The Agonie
Philosophers have measur’d mountains,
Fathom’d the depths of seas, of states, and kings,
Walk’d with a staff to heav’n, and traced fountains:
But there are two vast, spacious things,
The which to measure it doth more behove:
Yet few there are that sound them: Sinne and Love.
Who would know Sinne, let him repair
Unto Mount Olivet; there shall he see
A man so wrung with pains, that all his hair,
His skinne, his garments bloudie be.
Sinne is that press and vice, which forceth paine
To hunt his cruell food through ev’ry vein.
Who knows not Love, let him assay
And taste that juice, which on the crosse a pike
Did set again abroach; then let him say
If ever he did taste the like.
Love is that liquour sweet and most divine,
Which my God feels as bloud; but I, as wine. De doodsstrijd
|
|
De doodsstrijd
De wereldwijzen meten bergen,
Peilen zelfs zeeën, koningen en staten;
Geen ster, geen stroom kan hun zijn pad verbergen:
Maar wijd, omvattend bovenmate
Zijn er twee dingen - och, dat u beliefde
Die eens te willen meten: Zonde en Liefde.
Wat Zonde is - wie dat niet weet
Moet naar de Olijfberg gaan; zie, wie daar lijdt;
Pijn wringt zijn bloed naar haren, huid en kleed:
Geeft ziel of lichaam geen respijt.
Zonde: een pers, die pijn door de aders jaagt,
Schroevende buit en voedsel daar belaagt.
Laat hen wie Liefde vreemd is proeven -
Een lansknecht stak hem aan die hing aan ’t kruis -
De drank die uit hem weder vloeit; behoeven
Zij andere voorraad in hun huis?
Liefde is dat vocht zo zoet en hemels rein,
Dat mijn God proeft als bloed; maar ik als wijn. |
Het soort onderzoekingen dat hier aan
‘filosofen’ wordt toegeschreven zouden wij eerder ‘wetenschap’ noemen.
Het proces waarin de wetenschap zich van de filosofie afsplitste en deze
zich omgekeerd in dienst van de vernieuwing der wetenschap stelde was in
Herberts dagen in volle gang. Toen woedde de discussie over de theorieën
van Copernicus en Galileï. Toen zochten Francis Bacon in Engeland en
René Descartes in Frankrijk naar een nieuw fundament voor praktisch
waardevolle kennis.
Herbert bewonderde Bacon. Hij vertaalde
een deel van zijn werk in het latijn. In een latijns lofdicht noemt hij
hem: ‘de emancipator van de wetenschappen, die eertijds onder voogdij
hun tijd moesten slijten’. Aan die emancipatie-gedachte zijn wij vanaf
de schoolbanken gewend. Voor de dichter van The Agonie is zij nog geen
cliché, laat staan een keurslijf. Hij voelt zich vrij eerst met ontzag
te spreken over de triomfen van de menselijke geest - om dan toch te
benadrukken dat twee verwaarloosde problemen van meer belang zijn. En
die twee problemen komen samen in één gestalte, die de geest in zijn
verbluffende vlucht - wie zal het zeggen? - wellicht juist zou willen
achterlaten.
Redemption
Having been tenant long to a rich Lord,
Not thriving, I resolved to be bold,
And make a suit unto him, to afford
A new small-rented lease, and cancel th’old.
In heaven at his manner I him sought:
They told me there, that he was lately gone
About some land, which he had dearly bought
Long since on earth, to take possession.
I straight return’d, and knowing his great birth,
Sought him accordingly in great resorts;
In cities, theatres, gardens, parks, and courts:
At length I heard a ragged noise and mirth
Of theeves and murderers; there I him espied,
Who straight Your suit is granted said, & died. |
|
Verlossing
Sinds lang had ik de pacht aan een groot Heer
Met moeite slechts voldaan - tot op een dag
'k Erkennen moest: zo gaat het echt niet meer:
k Zou bidden gaan dat hij ‘t contract herzag.
Ik heb hem in zijn hemels huis gezocht.
Daar hoorde ik dat hij heen was op een reis
Naar een aards land, ooit duur door hem gekocht,
Waar nu zijn recht zijn daad vroeg als bewijs.
Ik keerde weer, zocht lang of ik hem vond
Waar men - dacht ik - voorname heren trof:
In stad, theater, tuin en park en hof;
Daar hoorde ik ruw gelach, zag hem - in ‘t rond
Dieven en moordenaars - die mij aankeek,
Uw bede is u gegund, zei, en bezweek. |
Doorgaans zoekt Herbert voor ieder
gedicht een individuele vorm. Hebben, een enkele keer, twee gedichten
een overeenkomende vorm, dan onderstreept dat een inhoudelijke relatie.
Het sonnet - het type dat we kennen van Shakespeare, met twee rijmende
slotregels - is de uitzondering op deze regel. Het is de enige vorm die
in The Temple regelmatig terugkeert en die minder wordt aangepast aan de
behoeften van het moment.
Het conventionele sonnet past hier goed
bij het karakter van de spreker: iemand die leeft in kleine
verhoudingen, die zijn avontuur in de grote wereld omstandig vertelt en
die zijn vooropgezette beeld van de werkelijkheid verrassend doorkruist
zag. Men herkent er echter ook de aristocratische Herbert in, die leerde
zijn levensvervulling niet aan het hof te zoeken. Er is iemand aan het
woord die juist in zijn kleinheid elk mens kan vertegenwoordigen: een
Elckerlyck en een stem in het koor dat Kerk heet.
|
Life
I made a posy, while the day ran by:
Here will I smell my remnant out, and tie
My life within this band.
But Time did becken to the flowers, and they
By noon most cunningly did steel away,
And wither’d in my hand.
My hand was next to them, and then my heart:
I took, without more thinking, in good part
Times gentle admonition:
Who did so sweetly deaths sad taste convey,
Making my minde to smell my fatall day;
Yet sugring the suspicion.
Farewell, deare flowers, sweetly your time ye spent,
Fit, while ye liv’d, for smell or ornament,
And after death for cures.
I follow straight without complaints or grief,
Since if my scent be good, I care not if
It be as short as yours. |
|
Leven
De dag vergleed - ik maakte een boeket:
Geuren die blijven, als te boek gezet,
Het leven in een band.
Maar Tijd wenkte de bloemen, en zij gingen -
Toen ’t middag werd - als in complot; daar hingen
Zij futloos in mijn hand.
Mijn hart had, na mijn hand, hun ’t naast bestaan:
‘k Besloot meteen van Tijd dit zacht vermaan
In vriendschap te aanvaarden:
Die mij zo zoet Doods droeve smaak toebracht,
Mijn geest de reuk van ’t einde dat mij wacht,
Doch ’t bittere mij bespaarde.
Vaarwel dan, bloemen, zoet was mij uw tijd,
Steeds heeft uw geur en kleur mij vreugd bereid,
Dood, kunt ge ons nog genezen.
Ik volg u welgemoed, zonder verdriet:
Als ‘t maar een goede geur geeft, deert mij niet
Dat ’t leven kort moet wezen.
|
Aan niets herkent men zo direct de
meester als aan de hantering van clichés. Als iemand zegt: ik ken een
vers waarin de dichter het verwelken van bloemen opvat als een les over
de kortheid van het leven - dan veert u waarschijnlijk niet verrast op.
Maar in Life glanst het tafereel als onder het penseel van een
fijnschilder. Het moderne van titel plus openingsregel harmonieert
merkwaardig goed met de echt zeventiende-eeuwse sfeer waarin de concrete
dingen van het dagelijks leven worden ‘gelezen’. Het is zo’n zin die je
niet loslaat: ‘I made a posie while the day ran by’. (Een ‘posie’ is een
boeketje, maar ook een versje of een motto in een ring of medaillon.)
|
The Forerunners
The harbingers are come. See, see their mark;
White is their colour, and behold my head.
But must they have my brain? must they dispark
Those sparkling notions, which therein were bred?
Must dulnesse turn me to a clod?
Yet have they left me, Thou art still my God.
Good men ye be, to leave me my best room,
Ev’n all my heart, and what is lodged there:
I passe not, I, what of the rest become,
So Thou art still my God, be out of fear.
He will be pleased with that dittie;
And if I please him, I write fine and wittie.
Farewell sweet phrases, lovely metaphors.
But will ye leave me thus? when ye before
Of stews and brothels onely knew the doores,
Then did I wash you with my tears and more,
Brought you to Church well drest and clad:
My God must have my best, ev’n all I had.
Lovely enchanting language, sugar-cane,
Hony of roses, whither wilt thou flie?
Hath some fond lover tic’d thee to thy bane?
And wilt thou leave the Church, and love a stie?
Fie, thou wilt soil thy broider’d coat,
And hurt thy self, and him that sings the note.
Let foolish lovers, if they will love dung,
With canvas, not with arras, clothe their shame:
Let follie speak in her own native tongue.
True beautie dwells on high: ours is a flame
But borrow’d thence to light us thither.
Beautie and beauteous words should go together.
Yet if you go, I passe not; take your way:
For, Thou art still my God, is all that ye
Perhaps with more embellishment can say.
Go birds of spring: let winter have his fee;
Let a bleak palenesse chalk the doore,
So all within be livelier than before. |
|
De voorlopers
De voorboden zijn er. Kijk dan, hier, wit!
Hun teken is ’t dat aan mijn slapen staat.
Maar nemen ze ook mijn hersens in bezit?
Zetten ze wat daar sprankelde op straat?
Word ik een suffe oude zot?
Toch, blijf ‘k zo achter, Gij zijt steeds mijn God.
Ach heren, laat mij mijn beste vertrek:
Mijn hele hart en alles wat daar leeft.
De rest kan ‘k missen, ’t is mij geen gebrek,
Zo Gij zijt steeds mijn God zijn thuis maar heeft.
Ja, hem behaagt wel dat refrein:
Zo kan mijn simpel woord toch geestrijk zijn.
Dag, schone woorden, beeld dat zoet verrast.
Maar wacht, gaan jullie zo? ach, toen weleer
Jullie geen thuis kenden dan kroeg of kast,
Waste ik met tranen jullie schoon, ja meer,
Bracht je in de Kerk, van top tot teen
In ’t nieuw: mijn schat was voor mijn God alleen.
Zacht toverende taalpracht, suikerriet,
Mijn rozenhoning - waarheen? weet je ’t al?
Zit je al gevangen in een liefdeslied?
Verlaat je de Kerk voor een zwijnenstal?
Het mooi gaat van je mantel af,
Je bent die zanger en jezelf tot straf.
Laat dwaze minnaars hun liefde voor drek
Niet nog eens in de fijnste stoffen kleden:
Aan dwaze woorden is toch geen gebrek.
De schoonheid woont omhoog: haar vlam beneden
Is geleend licht op ’t pad daarheen.
Schoonheid en ‘t schone woord horen bijeen.
Maar toch, gaan jullie heen - ’t zij je gegund:
Want Gij zijt steeds mijn God is al hetgeen,
Misschien wat mooier, jullie zeggen kunt.
Ga, lentevogels, voor de winter heen.
‘k Verdraag die vaalheid aan mijn deur,
Als binnen er meer leven komt en kleur.
|
Als de vorst op reis is, wordt er
onderweg voor het minder voorname deel van zijn gevolg bij boeren en
burgers onderdak gevorderd. Zo gaat het ook als het leger voorbijkomt.
Wie de klos is vindt een teken op of naast zijn deur gekrijt. De dichter
verlaat in de derde strofe dit beeld voor dat van de uit de goot
geraapte beschermelingen van weleer die nu uitvliegen. De eenheid van
het gedicht lijdt niet onder de verschuiving in de beeldspraak. Die
eenheid ligt in de rouw en in de strijd om het onvermijdelijke te
aanvaarden - niet stoïcijns, maar met vernieuwde hoop. Eerst is er de
schrik om het komend gemis. De dichter van (bijvoorbeeld) The Foil mag
met recht opzien tegen het afscheid van ‘wat daar sprankelde’ in zijn
brein. Na de schrik doet een wereld van herinnering en van weemoed zich
gelden. En dan komt de bezorgdheid om wat uit handen gegeven moet
worden, een zorg die onhandig uitschiet in verwijten. Even klinkt weer
de stem van de zeventienjarige Herbert, die met zulke jeugdige
strengheid Gods liefde als zijn enig thema koos. Het blijkt geen
verstarring. De rouw gaat door fasen. Als de ‘ik’ voor de tweede maal ‘I
passe not’ kan zeggen, is hij al iets verder dan de eerste keer.

Wie was George Herbert ?
George Herbert leefde van 1593 tot 1633 en is de dichter van één bundel,
The Temple. Zijn vriend Nicholas Ferrar kreeg het manuscript van op het
sterfbed van de dichter toegezonden en nog in 1633 werd het gepubliceerd.
Weldra gold The Temple als hèt voorbeeld van religieuze dichtkunst.
Sommige navolgingen, zoals Harveys The Synagogue (1640), zijn slaafs
en zouteloos. Maar een zelfstandig dichter als Henry Vaughan (1621-1695)
vond bij Herbert inspiratie voor prachtige verzen.
De moderne lezer moet een drempel over om in The Temple te komen. De eerste
indruk kan afstoten. Is het allemaal niet heel stichtelijk, al te vroom?
Maar wie hier en daar een paar regels en coupletten aandachtig leest, zal al
gauw getroffen worden door een gedachte, een woord, een zinswending. Wat een
beeld en wat een gekweldheid bijvoorbeeld in de regel:
My thoughts are all a case of
knives…
(Affliction IV)
Wat een opstandigheid, als van Job zelf:
O rack me not to such a vast
extent;
Those distances belong to thee:
The world ‘s too little for thy tent,
A grave too big for me.
(The Temper)
O that thou shouldst give dust a
tongue
To crie to thee,
And then not heare it crying! all day long
My heart was in my knee,
But no hearing.
(Deniall)
Mede door deze donkere tonen krijgen de gelukkiger klanken diepte en warmte:
And now in age I bud again,
After so many deaths I live and write;
I once more smell the dew and rain,
And relish versing: O my onely light,
It cannot be
That I am he
On whom thy tempests fell all night.
(The Flower)
Helen Vendler, een vooraanstaand critica, ziet Herberts gedichten regelmatig
als volgt verlopen. 1) Er wordt ingezet bij een vroom cliché – bijvoorbeeld:
‘God lijkt ons soms wel een tijdje te verwaarlozen, maar wat is het heerlijk
als Hij zich dan weer tot ons wendt’. 2) Dit cliché houdt geen stand onder
Herberts kritiek – bijvoorbeeld: ‘Gods afwezigheid is te erg, er is dan geen
troost’. 3) In plaats van het cliché vindt de dichter een meer doorleefde
waarheid – bijvoorbeeld het hierboven geciteerde couplet uit The Flower.
Inderdaad kan dit schema de lezer helpen om de eerlijkheid en de
persoonlijke klank van Herbert op te merken. Het gevaar is wel dat men dan
zijn waardering voor het ‘vroom cliché’ onderschat. Het geloof van de
kinderen en eenvoudigen is voor hem meer dan een vertrekpunt om achter zich
te laten. Met zijn explorerende poëzie zoekt en hervindt hij telkens weer de
gemeenschap met de kerk van alle eeuwen, met de traditie die het cliché
heeft voortgebracht. Zijn eigen levensweg leidde hem, de geboren
aristocraat, juist naar dienstbaarheid aan de eenvoudigste kinderen van de
kerk.
De
laatste drie jaren van zijn leven wijdde Herbert zich – priester geworden in
de Engelse kerk –met hart en ziel aan zijn plattelandsgemeente Bemerton. De
parochie Bemerton – inmiddels opgeslokt door de stad Salisbury - presenteert
zich nog altijd trots als The George Herbert Parish. In die laatste
jaren kreeg The Temple zijn huidige gestalte. Dichtkunst en kerkewerk
zullen wel eens onderling gestreden hebben, maar vooral lijken ze elkaar te
hebben gevoed en ondersteund. In zijn verhandeling The Countrey Parson
legde Herbert zijn ideaal van de plattelandspastor neer. Ook dit boek
werd postuum uitgegeven (in 1652, onder de titel A Priest to the Temple).
Nog vóór zijn postume literaire roem kwam, gold Herbert in de omgeving van
Salisbury door zijn pastoraat als een soort heilige. Zijn eerste biograaf,
Izaak Walton, begunstigde deze repuatie naar hartelust in The Life of Mr.
George Herbert (1670). De Engelse kerk nam Herbert, evenals zijn vriend
Nicholas Ferrar, op onder haar heiligen: 27 februari is de dag van George
Herbert, priest and poet.
Voor mij zit de ‘heiligheid’ van Herbert vooral in de eerlijkheid,
heftigheid soms, waarmee hij zich geeft in zijn gedichten. Hij is geen
heilig boontje, maar ook te intelligent en te volwassen om altijd maar stout
te willen zijn. De merkwaardige negentiende-eeuwse theoloog Kohlbrugge is
wel genoemd ‘de onheilige heilige’ - dat vind ik ook een mooie
karakterisering van Herbert zoals we hem leren kennen in The Temple.
(tekst: Max Staudt - 4 juli 2005)

|