Martinus Nijhoff (1894-1953)

Blauwe Nederlandse postzegel met een portret van Martinus Nijhoff, met het opschrift MARTINUS NIJHOFF 1894-1953 en de waarde 2+3 ct.
Zomerzegel, uitgegeven op 1 mei 1954
Bron: Wikimedia Commons.
Het licht
De moeder de vrouw (De Martinus Nijhoff-brug)
Memlinc

Shortbio

Martinus Nijhoff werd op 20 april 1894 in Den Haag geboren, als zoon van de uitgever Wouter Nijhoff. De firma droeg de naam van zijn grootvader; het gezin leefde van boeken. Zijn moeder, Johanna Alida Seijn, zocht buiten de kerkgenootschappen om naar een oorspronkelijk christendom, hield huiselijke zangdiensten en werd in 1918 rooms-katholiek. Die godsdienstige onrust van thuis is Nijhoff nooit kwijtgeraakt, al heeft hij haar op zijn eigen, terughoudende manier verwerkt.

Hij studeerde rechten in Amsterdam en later Nederlands in Utrecht, en debuteerde in 1916 met De wandelaar. Met Vormen (1924, bekroond met de Prijs van Amsterdam) en Nieuwe gedichten (1934, met Awater en De moeder de vrouw) werd hij de toonaangevende dichter van zijn generatie: moderne ervaring in beheerste, vaak klassieke vormen, in een taal die iedereen verstaat en die zich niet laat uitputten. Als criticus van de NRC en redacteur van De Gids gaf hij de aanzet tot de discussie over vorm of vent, waarin hij zich aan de kant van de vorm schaarde: niet de persoonlijkheid van de dichter telt, maar het gedicht. Daarnaast was hij een vertaler van naam - Shakespeare, Euripides, Gide, Eliot -; in zijn sterfjaar werd naar hem de Martinus Nijhoff Vertaalprijs genoemd.

Het christelijk engagement

Religie is in Nijhoffs poëzie een van de aanhoudende motieven, meestal indirect, in beelden en verhaalfiguren eerder dan in belijdenis. Concreter wordt het vanaf 1941, toen een predikantsechtpaar en een regisseur hem vroegen een spel te schrijven dat in de kerk kon worden opgevoerd. Daaruit kwam het kerstspel De ster van Bethlehem voort, gevolgd door het paasspel De dag des Heren en het pinksterspel Des Heilands tuin, in 1950 gebundeld als Het heilige hout. Vooral het kerstspel is tot in de jaren zestig ontelbare keren gespeeld. Nijhoff zelf noemde die spelen een voortzetting van het werk van zijn moeder - een formulering die zijn verhouding tot de kerk goed weergeeft: dienstbaar aan de gemeente, zonder zich in een leerstellige positie te laten dringen.

De laatste jaren gingen op aan de psalmen. De Commissie voor de Psalmberijming van de Nederlandse Hervormde Kerk, voorgezeten door K.H. Miskotte, nam in 1951 contact met hem op; in januari 1952 werd hij haar letterkundig adviseur. Het werk kwam pas daarna werkelijk op gang, zoals de verantwoording bij het Liedboek voor de kerken later erkende. Nijhoff berijmde zelf zeven psalmen - 3, 16, 21, 23, 60, 67 en 150 - maar zijn aandeel was groter dan dat getal: hij hielp de anderen, hield hun het gehoor voor van de melodie en de draagwijdte van elk woord. Wat hij daarbij zocht, staat beschreven in het artikel dat Willem Barnard (Guillaume van der Graft) een jaar na zijn dood over hem schreef.

Zover heeft Nijhoff het niet gebracht. In de nacht van 26 januari 1953 stierf hij onverwacht aan een hartaanval, terwijl zijn uitgever Bert Bakker het Verzameld werk voorbereidde en samen met hem een nieuw tijdschrift oprichtte: Maatstaf, waarvan hij het eerste nummer niet meer heeft gezien. Postuum kreeg hij de Constantijn Huygens-prijs voor zijn gehele oeuvre. Hij ligt begraven op Westduin in Den Haag. Zijn zeven psalmen kwamen in 1973 in het Liedboek terecht en worden nog altijd gezongen.