Willy Spillebeen, "Een Monument en zijn voorontwerpen" Over Martinus Nijhoff en de belangrijkste varianten van zijn gedichten in: 'Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse taal- en letterkunde", 1998, (p. 277-310) — daarvan het begin van sectie 3: Nijhoff en de schilderkunst: p. 292-294.
Nijhoff (hier een korte biografie) heeft zich af en toe laten inspireren door plastische kunstenaars uit diverse periodes. In Vormen betitelt hij een gedicht ‘Memlinc’ en ook in andere gedichten zijn er invloeden van de Vlaamse primitieven. Hier de analyse gebaseerd op de in 1998 verschenen 3-delige editie van MONUMENTA LITERARIA NEERLANDICA, gewijd aan Nijhoff, waarin ook manuscript-fragmenten (voorstadia?) zijn opgenomen. Mijn bijdrage is het toevoegen van de afbeeldingen. Ik vind de schilderijen heel sprekend, Spillebeens betrachtingen heel zinvol, maar betwijfel toch de (m.i. al te precieze) identificatie van de diptiek van Martinus van Nieuwenhove als bron voor het gedicht 'Memlinc' uit Vormen.
In Nijhoffs nalatenschap bevond zich een schijnbaar voltooid gedicht in handschrift, ‘Memlinc’. Het zou dateren van 1922–1923 en is nooit gepubliceerd. En in de bundel Vormen uit 1924 staat een gedicht ‘Memlinc’. De twee lijken niets met elkaar te maken te hebben. Het handschrift klinkt zo:
handschrift, 1922–1923, ongepubliceerd
Ik denk dat de oogopslag van zijn beide
Kalme geopende oogen ziet
Voorbij de einder in ’t gebied
Aan de overzijde,
Waar hem de stille vijvers nog van scheiden.
Hij komt naar voren uit de stoeten
Der boomen, in het diepe land –
Maar in zijn hoed zijn aan den rand
Twee scheve moeten
In ’t fluweel geknepen bij het groeten.
Zijn handen doen nog met elkander ’t
Gebaar van breken van het brood.
Leven is eender zoet als dood.
De dag verandert
Zijn strakke kleur voor wie zoo vroom wandelt.
Ik geloof niet dat dit gedicht echt af is: de formulering is af en toe zwak, bijvoorbeeld het beginvers ‘Ik denk dat’; het ritme is vrij onzeker en ‘elkander ’t’ is toch wel een vreemd rijm op ‘verandert’; ten slotte is het eindvers slungelachtig lang.
In verband met dit ‘Memlinc’-gedicht en ook met ‘Satyr en Christofoor’ meent Gerrit Kamphuis dat het gedicht ‘een soort samenvatting van verschillende portretten door Memlinc’ zou zijn. Want volgens hem komen de vermelde details (vijver, bomen, een hoed met moeten, het gebaar van de beide handen) op geen enkel portret van Memlinc samen voor.
Er bestaat mijns inziens wel degelijk een vrij bekend ‘Portret van een man’ van Memlinc (Frankfurt am Main, Städelsches Kunstinstitut) waarop een man met een rustige blik afgebeeld staat tegen een achtergrond van bomen. Hij draagt een hoge muts van rood fluweel met één ‘moet’ erin – volgens Van Dale een indruksel, in het bijzonder overblijvend teken van vlekken of vouwen in een stof. Bovendien houdt hij zijn handen alsof hij brood breekt. Misschien heeft Nijhoff dit portret voor ogen gehad.
In het tweede ‘Memlinc’-gedicht, in Vormen, overigens een heel bekend gedicht, situeert Nijhoff ‘een man’ (zichzelf) tussen hemel en aarde, onzeker omtrent zijn keuze: ofwel de vlucht in de mystiek en de poésie pure, ofwel de keuze van de werkelijkheid.
uit Vormen, 1924
Ernstig en eenzaam staat
Tusschen de holten van
Hemel en aarde de man
Die Gods woorden verstaat,
Antwoord weet, maar nog zwijgt
Zoo lang de vraag nog klinkt,
Wacht tot de wereld verzinkt
En een ster de zon overstijgt.
Hong’rend naar eeuwigheid
Brak hij zijn leven als brood,
Proefde in dit voedsel de dood,
Deed afstand, en houdt zich bereid.
Luisterend, zwijgend, en in
Vroomheid bereid: voorwaar,
Dit is geen einde, maar
Een voorgoed begonnen begin.
Het kan dat Nijhoff ook voor dit gedicht het schilderij ‘Portret van een man’ van Memlinc voor ogen heeft gestaan, want de ‘man’ op dat schilderij is ‘ernstig’ en lijkt ‘eenzaam’, en hij houdt zijn handen net of hij brood breekt. Ik vermoed evenwel dat Nijhoff zich hier – en misschien ook voor het vorige Memlinc-gedicht – vooral heeft laten inspireren door het bekende diptiek ‘Onze-Lieve-Vrouw met Maarten van Nieuwenhove’ (Memlingmuseum, Brugge).
Er is allereerst de naam van de schenker: Maarten van Nieuwenhove = Martinus Nijhoff, al ziet de toekomstige burgemeester van Brugge er als drieëntwintigjarige bepaald minder vergeestelijkt uit dan de ‘man’ op het schilderij in Frankfurt én die uit Nijhoffs gedicht. Er is op de rechterhelft van het diptiek ook het glasraam met de voorstelling van het ‘snijdend beeld’ van de H. Martinus. (Begin 1932 zal Nijhoff een gedicht aan zijn patroonheilige wijden, maar het nooit publiceren.) Er zijn voorts op de linkerhelft van het diptiek twee medaillons: een van de H. Joris en een van de H. Christofoor. (Nijhoff nam in Vormen (1924) ook het gedicht ‘Satyr en Christofoor’ op. Overigens heeft Memlinc ook een triptiek met Christofoor geschilderd, de zogenaamde Moreel-triptiek (Groeningemuseum, Brugge), en ook een ‘Marteling van Sint-Sebastiaan’ (Louvre - en in KMSKB in Brussel, DW). Het gedicht ‘Het veer’ uit Nieuwe Gedichten (1934) handelt wel degelijk over Sebastiaan.)