De wereld als een
luit, Jacob Revius
Synopsis: Enkele
vreemde woorden (wat doen klavieren op een luit?) en zinswendingen (bocht
vol repen?) in het gedicht Scheppinge van Jacob
Revius worden onder de loep genomen.
Veel interpretatoren hebben de 'raarheid' van deze woorden te snel wegverklaard, omdat
ze meenden te weten wat Revius bedoelde. Revius wist echter goed wat hij deed toen hij dit gedicht schreef,
niet enkel betreffende de woorden die hij koos, maar ook betreffende de
beeldspraak die hij in dit gedicht centraal
stelt: de compositie van de wereld als een luit. Door te verwijlen bij lastige
passages en de luitsymboliek te plaatsen tegen de achtergrond van de
klassieke traditie van de musica mundana lijkt er een en ander
opgehelderd te kunnen worden - sterker nog - gaat het gedicht nog sterker
spreken.
-
Voorbereidende opmerkingen &
Aanleiding tot dit artikel
-
Het eerste kwatrijn,
het
besnaren, bespannen van de luit:
-
Het tweede kwatrijn,
de
snaren van de luit
-
De eerste terzine,
God als
luitspeler
-
De tweede terzine,
de
mens als (slechte?) luisteraar
-
bijlagen: Franse origineel van
(wrsch. Simon Goulart), intro
voor Bartas, Sepmaine, ou création du monde (voor
1601) & Ter vergelijking de Engelse versie van het gedicht
van Goulart (William Drummond),
intro voor Symson, Heptameron, the Seven Dayes (1621)
|
Scheppinge
God heeft de werelt door
onsichtbare clavieren Betrocken als een luyt met al sijn toebehoor. Den hemel is de bocht vol repen° door en door, Het roosken, son en maen die om ons hene swieren.
Twee grove bassen die staech
bulderen en tieren Sijn d'aerd en d'oceaan: de quinte die het oor Verheuget, is de locht: de reste die den choor Volmaket, is t'geboomt en allerhande dieren.
Dees luyte sloech de Heer met
sijn geleerde vingers, De engels stemden in als treffelicke singers, De bergen hoorden toe, de vloeden stonden stil:
Den mensch alleen en hoort noch
sangeren noch snaren, Behalven dien 't de Heer belieft te openbaren Na
sijn bescheyden raet en Goddelijcken wil.
Over-Ysselsche sangen en dichten,
p. 10, (ed. W.A.P. Smit, dl. I,
p. 13-14).
NOOT: repen°: Smit en vele anderen lezen hier ‘reyen’.
Dit is echter manifest onjuist: zie foto van het origineel op de
gedichtenpagina
Hoewel het gedicht Scheppinge in populariteit
natuurlijk niet kan tippen aan Hy droegh onse smerten (“’t en zijn de
Joden niet….”), is dit gedicht waarin de schepping van hemel en aarde
vergeleken wordt met een aantal aspecten van de luit, een vaste waarde in
bloemlezingen van Revius’s poëzie.[1]
De centrale beeldspraak, die de de huidige lezer misschien wat ongewoon kan
voorkomen, was in Revius’ tijd zeer gangbaar en gaat terug tot de klassieke
oudheid. L. Strengholt, die zich intens met Revius heeft beziggehouden,
heeft ontdekt dat dit gedicht gebaseerd is op een Frans lofdicht op de
dichter van een groot episch gedicht over de scheppingsweek, la Sepmaine
van Guillaume de Saluste, Sieur de Bartas. De auteur van dit – niet
ondertekende – lofdicht is waarschijnlijk de uitgever en commentator van dat
werk, Simon Goulart (1543-1628; humanist, theoloog, actief te Genève).
Revius heeft van dit Franse origineel niet alleen de basisvergelijking van
de luit maar ook de concrete uitwerking en toepassing overgenomen, enkel de
pointe heeft hij aangepast. Ook de vorm (sonnet) en het rijmschema lopen
parallel. Het is echter geen vertaling, maar een “imitatie” van Goulart’s
gedicht, een creatieve poëtische methode die toentertijd hoog in aanzien
stond. Je zou het een herdichting van het gedicht van Goulart in het
Nederlands kunnen noemen, met een aantal originele elementen en een eigen
pointe. Een vergelijkbare bewerking, echter nog dichter aansluitend bij het
Franse voorbeeld dan Jacob Revius, maakte de Engelse dichter (èn luitspeler)
William Drummond.[2]
Beide teksten heb ik voor het gerief van de lezer aan het eind van dit
artikel afgedrukt.
Intrigerend aan dit gedicht is dat de populariteit
ervan omgekeerd evenredig is met de verstaanbaarheid. De centrale metafoor
zoals die uitgetekend wordt in het eerste kwatrijn, is zelfs ronduit
duister. Wat komt dat woord ‘clavieren’ daar in vredesnaam doen?! Een luit
heeft immers van alles, maar zeker geen klavier. De oplossingen die de
samenstellers van bloemlezingen voorstellen onthullen vooral de
verlegenheid. Zij verklaren in rand- of voetnoot dat Revius ‘klavier’ hier
gebruikt in de betekenis van ‘snaar’, een erg vergaande interpretatie van de
spreuk: ‘lees maar, er staat niet wat er staat’. In elk geval vindt deze
verklarende glosse geen enkele steun in het lexicografisch materiaal dat in
het artikel ‘klavier’ in Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) is
verzameld.[3]
Ook in de standaardeditie van W.A.P. Smit vinden we dezelfde wegverklaring
van het probleem: “clavieren: speelwerk, (hier) snaren”. Het klinkt
objectief wetenschappelijk, maar het is giswerk, lexicografische inlegkunde.[4]
In dit opstel hoop ik aan te tonen, dat men Revius
hiermee onrecht heeft gedaan. Als Revius het op deze plaats reeds had
willen hebben over de snaren, dan had hij dat wel gezegd. Hij wilde echter
iets anders zeggen en komt pas daarna, in het tweede kwatrijn, over
de snaren te spreken, en dan voluit. De interpretatoren hebben mijns inziens
te snel gemeend dat ze al wisten wat Revius wilde zeggen en tegelijk hebben
ze Revius onderschat. Immers, wie Revius een beetje kent, weet dat woorden
en betekenissen hem dierbaar waren en dat hij als vakman (dichter) vorm en
inhoud beide zorgvuldig ontwikkelde. Hieronder hoop ik dan ook aan te tonen,
dat het woord ‘clavieren’ geen ongelukkige keuze is of een idiomatische
rariteit, maar op z’n plaats staat. Het mag zichzelf blijven en hoeft niet
de rol hoeft te spelen van een ander woord. Een geduldige lezing begroet
elke ‘hobbel’ als een uitdaging om de interpretatie nog eens opnieuw ter
discussie te stellen, of te verdiepen.
Het gedicht gaat volgens de titel en volgens de plaats
in Revius’ zangboek (want zo heeft hij zelf zijn verzamelbunde
genoemd: Overijsselsche zangen) over de Schepping van hemel en aarde.
Als een echte calvinist en contra-remonstrant is het gedicht over de
schepping niet het eerste gedicht in zijn bundel. Het wordt voorafgegaan
door enkele gedichten over God zelf en over ‘Gods besluyt’ en ‘Verkiesinge’.
Pas als die stof behandeld is, is het de beurt aan de ‘Scheppinge’. De twee
kwatrijnen beschrijven de vervaardiging en symbolische betekenis van enkele
onderdelen van de luit, terwijl de twee terzinen het bespelen ervan (door
God) en het effect daarvan op de toehoorder beschrijven, uitlopend op een
tamelijk onverwachte toepassing in het laatste terzine.
God heeft de werelt door onsichtbare clavieren
Betrocken als een luyt met al sijn toebehoor.
Het eerste woord dat de aandacht zou moeten vasthouden
is niet het woord ‘clavieren’, maar het bijvoeglijk naamwoord ‘door’. Waren
‘clavieren’ snaren, dan zou men hier ‘met’ verwacht hebben in plaats van
‘door’. Een luit bespan (‘betrek’) je niet door snaren, maar met
snaren. Dit is een cruciale vaststelling. De ‘snaren’ van de luit worden in
de openingszin niet expliciet genoemd, omdat ze impliciet aanwezig zijn in
het beeld zelf: ‘de luit wordt betrokken’ (sc. met snaren). Bij dat
bespannen met snaren spelen ‘onsichtbare clavieren’ een instrumentele rol.
Het woord ‘onsichtbaar’ verwijst naar het beeldsprakelijk aspect, terwijl
het het woord ‘clavieren’ verwijst naar het middel waarmee of de wijze
waarop de luitenbouwer zijn instrument besnaard. Ik zeg het opzettelijk wat
vaag om de betekenis van het woord ‘clavieren’ nog even open te houden: zo
wordt de omtrek van het betekenisveld waarbinnen het woord ‘clavieren’ zich
moet bevinden als het ware afgebakend.

Indien wij nu een 17de eeuwse luit van
naderbij bekijken...
[op de afbeelding een kopie
gemaakt door John Butterfield, naar een luit van Giovanni Hieber, Venetië, ca. 1580, orig. Brussel.
Voor meer afbeeldingen en technische uitleg:
http://butterfieldlutes.com/hieber.html
]
... en ons het proces van
besnaren voor de geest halen, dan is het aantal mogelijkheden beperkt: Een
luit immers is technisch gezien een eenvoudig instrument. Er is een bolle
klankkast afgesloten door een vlak bovenblad (het eigenlijk klankbord). Op
dat kankbord zijn via een kam een wisselend aantal snaren bevestigd, in
dubbele rijen (uitgezonderd de hoogste snaar).
Deze snaren worden over een rechte hals gelegd (ook
wel ‘toets’ genoemd), waar zich fretten bevinden zoals bij een gitaar. Ze
worden over de brug getrokken en aangespannen middels een aantal
pinnen/knoppen waaromheen de snaren worden gewikkeld. Eens aldus besnaard
kan men door draaiing van de knoppen de snaren stemmen door ze te spannen.
Het gewone Nederlandse woord voor deze pinnen of knoppen is ‘stemschroef’ of
‘stemsleutel’. Bij de latere klavierinstrumenten zijn de pin en de knop uit
elkaar gehaald en spreekt men dus van snaarpinnen, die aangedraaid (gestemd)
kunnen worden middels aparte stemsleutels. Mijn suggestie is om het woord
‘clavieren’ naar deze spanschroeven of stemsleutels te laten verwijzen niet
eens zozeer op grond van de etymologische verwantschap van dit woord met het
Latijnse woord voor sleutel (‘clavis’, key-board) als vanwege het feit dat
‘clavus’ (etymologisch verwant, maar toch een apart woord,) in het Latijn de
technische term is voor de knoppen of pinnen waarmee men de snaren van een
harp, luit of citer of eender welk ander snaarinstrument op spanning brengt
en stemt.[5]
‘Clavus’ betekent gewoon haak, nagel, spijker. Zoals we clavis
terugvinden in het Nederlandse klavier , zo vinden we clavus
terug in het oud-Nederlandse klauwier (WNT, Klauwier II, b). In deze
betekenis wordt het door Joost van den Vondel gebruikt in zijn vertaling van
Horatius, en gespeld als ‘klavier’, wat erop duidt dat de ‘klauwier’ en
‘klavier’ elkaars betekenis kunnen overnemen.[6]
Sub b3 lezen we de volgende definitie: “Technische naam voor haken waarmede
men de ramen der lakenreeders en leertouwers beslaat om er de lakens
(stukken laken) en vellen aan open uit te spannen.” Ik beweer niet dat
Revius hier perse aan dacht, maar wel dat het woord ‘klavier’ of ‘klauwier’
in de 17de eeuw gemakkelijk met haken en spanpinnen in verband kon worden
gebracht, een betekenis die in elk geval beter past bij het beeld van een
luit (waarbij de snaren worden opgespannen door ze om een pin te draaien)
dan de betekenis ‘toetsenbord’ Het beeld dat Revius in de
eerste zin oproept wordt dus: God heeft de wereld
middels onzichtbare spanschroeven of stempinnen besnaard, als een luit met
alles erop en eraan, precies hetzelfde beeld als in het
Franse voorbeeld, waarbij Revius er echter voor opteerde om de stempinnen op
te roepen en de snaren impliciet te laten (die Goulart juist wel
uitdrukkelijk had benoemd: ‘tendons’, pezen.
De beschrijving van de
constructie van de luist wordt voortgezet in de tweede zin (r. 3-4). Ook
hier vermenigvuldigen zich de interpretaties van de uitgevers waarschijnlijk
omdat men moeite had de vrij technische uiteenzetting van de beeldspraak te
volgen.
Den hemel is de bocht vol repen door en door, Het roosken, son en maen die om ons hene swieren.
De meest uitleggers aarzelen niet
om de luit op de kop te leggen door de bocht gelijk te stellen met het bolle
gedeelte (de buik, de klankkast) van de luit. Dat lijkt zeer verleidelijk
omdat de vorm dan met onze aanschouwingswijze van het ronde hemelgewelf zou
kloppen. Het is taalkundig niet onmogelijk, maar wel een beetje vreemd,[7]
omdat in de erbijhorende zin zon en maan gelijkgesteld worden met het rozet,
dat zich ontegensprekelijk niet op de klankkast maar op het klankbord
bevindt. Het Franse origineel van Goulart is hier ondubbelzinnig:
le table
de ce Lut fut son divin estage
la rosette, les yeux des celestes brandons
(het bovenblad van deze luit was de goddelijke woonlaag / het rozet, de ogen
van de hemelse fakkels).[8]
Het
woord dat direct met ‘de bocht’ is verbonden is ‘repen’, daarmee zou ‘de
bocht vol zijn, door en door. Een oude
editie-traditie leest ‘reyen’, waardoor de betekenis bepaald niet helderder
wordt, want wat zouden dat dan zijn?[9]
Nu is het woord regel is ook niet meteen helder, maar ook niet
onbegrijpelijk zolang men maar beseft dat Revius hier nog met de
beschrijving van de constructie van de luit bezig is. Zo is een regel een
gewoon woord voor een langwerpige strook hout (WNT, regel I, 2). Op diezelfe
plaats lezen we sub b. hoe dit woord functioneert in o.a. het timmer- en
meubelmakersvak. Een regel is daar een “horizontale lat, rib of balk in een
houtconstructie, gewoonlijk ter verbinding van andere stukken.” En iets
verder: “In de houtconstructie heet elk stuk, dat
een horizontalen stand heeft en dient ter verbinding van verticale stukken,
een regel.” Als men weet dat onder het klankbord, essentieel voor de goede
klank van een luit, zich een hele reeks houten strips bevindt, dan lijkt de
betekenis duidelijk: het gaat hier om het goed verstevigde bovenblad van de
luit, het meest essentiële gedeelte van dit instrument. Enkel als deze
latjes overal (‘door en door’) zijn aangebracht en ook nog eens vectorieel
correct, klinkt het instrument naar behoren.
Nochtans hoeft deze discussie
(‘de bocht’, bovenblad of klankkast) niet op de spits te worden gedreven.
Men kan de aanduiding ook nemen als een verwijzing naar het geheel van de
klankkast en de ‘repen’ dan verstaan als de gebogen stroken hout waaruit die
is opgebouwd.[10]
In het tweede kwatrijn wordt de gedetaillerde
beschrijving van de luit voortgezet, maar komen eindelijk de snaren aan bod.[11]
Alvorens ook dat deel te onderzoeken volgen parafraseer ik het begin en
verwijl ik nog even bij het beeld dat Revius nu opgeroepen heeft.
God heeft de werelt door
onsichtbare clavieren
Betrocken als een luyt met al sijn toebehoor.
God heeft de wereld middels onzichtbare stemsleutels/pinnen
besnaard zoals een luit met alles erop en eraan.
Den hemel is de bocht vol repen
door en door,
Het roosken, son en maen die om
ons hene swieren.
De hemel is het
ronde deel, gewelfd, geheel geschoord
Het ‘rozet’ de zon
en de maan die zich om ons heen bewegen.
Wij zien hier God voor ons als
een luitenbouwer, die zorgvuldig de snaren op elkaar afstemt: het is een
beeld waarbij je meteen denkt aan zo’n Middeleeuwse psalmillustratie, waar
David zijn harp stemt, een vast iconografisch gegeven om uit te drukken hoe
God alles zijn orde heeft opgelegd. De harp van David (bij Revius vervangen
door een luit) is niet enkel diens attribuut, maar een symbool op zich van
precies die kosmische orde.[12]
Omdat
Revius nu over de snaren komt te spreken, is het misschien goed om dit deel
van het instrument eerst even te schetsten. Traditioneel is een luit
bespannen met dubbele snaren, ‘koren’ genaamd. De laagste snaren werden vaak
in octaven opgelegd, de middelste dubbel, terwijl de hoogste snaar
enkelvoudig bleef. De luit is van oorsprong een Arabisch instrument en had
slechts vier koren. De Neo-Pythagoreïsche traditie was zeer sterk in de
Arabische wereld. Het getal vier is hier essentieel en keert dan ook vaak
terug in de geometrische versieringen van het rozet.[13]
In de Renaissance liep het aantal snaren al snel op tot 8 of 10 om in de
barok nog verder te stijgen, wat heel ingewikkelde halsconstructies
opleverde. Reeds in de 16de eeuw werden bassnaren los van de
hals, langszij gespannen en geïntoneerd op de gewenste hoogte, bij de
liuto attiorbato zijn deze bassnaren dubbel, bij de aartsluit
enkelvoudig. Net als bij de theorbe (nog een ander lid van de familie)
konden die bassnaren zeer lang zijn. Aangezien de luit het
standaard-begeleidingsinstrument was in de Renaissance en het ook bleef tot
ver in de barok, mogen we ervan uitgaan dat Revius goed vertrouwd was met
dit instrument. In het Deventerse collegium musicum werd de zang van
zijn teksten en liederen ongetwijfeld met instrumenten uit deze familie
ondersteund. Het is bijna onvoorstelbaar, dat hij ook niet zelf de luit zou
bespelen. We mogen dus stellen dat als hij dit instrument beschrijft, weet
waarover hij het heeft. We hadden dat al gemerkt bij de beschrijving van de
klankkast, nu hij de snaren een betekenis geeft, blijkt hij opnieuw heel
goed te weten waarover hij het heeft.
Twee grove bassen die staech
bulderen en tieren Sijn d'aerd en d'oceaan: de quinte die het oor Verheuget, is de locht: de reste die den choor Volmaket, is t'geboomt en allerhande dieren.
Revius beperkt zich tot de
beschrijving van enkele snaren; de laagste en de hoogste. Twee bassnaren
duiden op de de aarde en de oceaan, terwijl de hoogste snaar (hier de kwint
genoemd, letterlijk ‘de vijfde’) naar de hemel verwijst, in dit geval niet
Gods woning, maar de lucht.[14]
De overige snaren omvatten de rest van de schepping, verdeeld in flora en
fauna. Hoewel de beschrijving poly-interpretabel is, lijkt het mij
aannemelijk dat Revius met de ‘twee grove bassen die staech bulderen en
tieren’ wel eens gedacht zou kunnen hebben aan twee losse bassnaren die
langszij gespannen zijn en die gestemd zijn om altijd dezelfde grondtonen te
laten horen. Na dit tweede kwatrijn treedt er een wisseling van perspectief
op. In de kwatrijnen is de luit beschreven, in de beide terzinen wordt
gemeld wat er gebeurt als de luit bespeeld wordt.
Dees luyte sloech de Heer met
sijn geleerde vingers, De engels stemden in als treffelicke singers, De bergen hoorden toe, de vloeden stonden stil:
De luitspeler is God zelf. Hij
heeft niet alleen alles mooi gemaakt, maar hij ‘bespeelt’ zijn eigen
schepping ook, dat wil zeggen: laat de verborgen harmonie horen. Hier zit
voor Revius de kern van de beeldspraak en dit element komt straks ook bij de
toepassing op een confronterende wijze opnieuw aan de orde. Het is duidelijk
dat als God zijn instrument bespeelt dat hij dan hemelse muziek maakt: de
muziek der sferen, de mythische musica mundana. De engelen zingen mee
en de natuur verstilt. Revius – op aangeven van Goulart, maar niet onwetend
– blijkt evenals Goulart een calvinistisch theoloog te zijn, die zijn
klassieke humanistische scholing niet verloochend, maar mee wil nemen in
zijn beschavingsproject. Hij staat hiermee (zowel qua houding als qua
inhoud) in een sterke kerkelijke traditie met worteld tot diep in de
klassieke oudheid. Volgens de ouden zit er namelijk muziek in ‘al wat is’,
sterker nog: al wat de naam “zijn” waardig is, brengt vanzelf muziek teweeg.
En dat spel van klanken is altijd op dezelfde musico-mathematische
verhoudingen gebaseerd, zowel in het groot als in het klein, zowel in de
dode materie als in de levende ziel. Die muziek ‘verenigt hemel en aarde
tesaam’.
De gedachte zelf gaat terug op Pythagoras (6de eeuw voor
Christus), die niet alleen de driehoeksmeetkunde heeft vooruitgeholpen met
zijn stelling over de hypotenusa, maar ook – volgens de overlevering – heeft
ontdekt dat alle harmonische tonen ter herleiden zijn tot perfecte
wiskundige verhoudingen (ratio), die niet aan de natuur worden
opgelegd, maar uit haar voortkomen, of nog beter: die in haar
voorkomen omdat ze als het ware haar gebinte zijn. Overal vind je dezelfde
getallen en verhoudingen terug. De hele kosmos is erop gebouwd, in het groot
(de banen van de planeten) en in het klein (de mens). Je vindt ze in de vier
elementen terug en de kern van de zaak is dat door deze verhoudingen zaken
die op zich tegenstrijdig zijn of van elkaar verschillen toch in harmonie
met elkaar kunnen bestaan. Een toon en zijn kwint zijn niet gelijk, en toch
klinken ze samen goed: concordia discors. Het geheim zit ’m in een
bepaalde getalsmatige verhouding tussen die twee. Wiskunde is een mystieke
bezigheid en Pythagoras werd in de Oudheid en de Middeleeuwen minsten
evenzeer geëerd om zijn mystieke als om zijn mathematische inzichten. Voor
hem waren ze overigens één. Nergens kwam die inwendige structuur, die
kosmische orde, beter tot uiting dan in de muziek, die immers geheel uit
zuivere verhoudingen bestaat. Zo is een octaaf de verhouding 1:2 (halveer
een snaar, en je krijgt de octaaf van de oorspronkelijke toon); deel een
snaar in drieën, en je krijgt de kwint (2:3) enz. Als de verhoudingen
kloppen dan klinkt er mooie muziek dan is er harmonie. Hoewel de laagste
vorm van de muziek der sferen,
kan de menselijke musica instrumentalis met haar concordia
toch de discordia verdrijven en de mens brengen tot de belijdenis dat
alles wat is goed is. Voor ons klinkt dit als een spelletje, en ik vermoed
dat dichters het sinds de 18de eeuw ook enkel nog bezigen omdat
het zo’n mooi beeld is, d.w.z. effectvol als taal, maar niet (meer)
corresponderend met de fysische werkelijkheid, die met het verdwijnen van
het Ptolemeïsche wereldbeeld ook langzaam maar zeker in de beleving van de
mensen is veranderd.[15]
In de klassieke oudheid, de vroegchristelijke periode en de Middeleeuwen was
dit wel anders. Toen was het een ernstige zaak met vergaande gevolgen: Waar
de verhoudingen verstoord zijn, kan muziek die ook weer herstellen: Als
David voor Saul speelt dan is het niet toevallig dat muziek Sauls
getormenteerde ziel tot rust brengt: de akkoorden die David aanslaat zijn
niet zomaar wat mooie klanken, maar zijn expressies van de ‘juiste
verhoudingen’ tussen de vier elementen in Saul (die weer correspondeerden
met bepaalde lichaamssappen etc..): het was discordia alom, een chaos van
dissonanten zonder oplossing. David’s akkoorden en zijn zang brengen weer
orde en schoonheid (kosmos betekent ook sieraad) in aan, maken de chaos weer
tot kosmos, herstellen de concordia tussen de delen die in spanning met
elkaar staan. Lichaam en ziel zijn hierin niet gescheiden, want de
ongrijpbare getalsverhoudingen zijn de basis van al wat is. Zij zijn
reëler zelfs dan de ervaren realiteit, zoals Plato’s ideeënwereld echter is
dan onze reële wereld. Die kan er slechts een zwakke afschaduwing van zijn.
Kernachtig is dit uitgedrukt door Quintilianus in zijn Institutio
Oratoria (geschreven rond het jaar 95), een handboek voor de redenaar,
dat zeker sinds de heruitgave in de 15de eeuw niet weg te slaan
was van de schoolbanken en universiteiten. Voor Quintilianus was een
grondige kennis van muziek een absolute voorwaarde om een goede redenaar te
kunnen worden. Muziekstudie hoorde volgens hem gewoon tot de basiselementen
van elke opvoeding die naam waardig. Hij licht dat alsvolgt toe:
Het
is ongetwijfeld zo dat dat mannen die beroemd waren om hun wijsheid ijverige
musici zijn geweest: Pythagoras en zijn volgelingen hebben bijv. de
opvatting gepopulariseerd, die op zich ongetwijfeld al veel ouder is, dat de
wereld zelf is geconstrueerd (compositum) volgens een verhouding (ratio),
die daarna de lier heeft geïmiteerd. Daarbij stelden zij zich niet tevreden
met de algemene idee van de ‘overeenstemming (concordia) van
afwijkende (of tegengestelde?) elementen, wat zij ‘harmonie’ noemen, maar
hebben zij een echte klank toegewezen aan die bewegingen (sc. van de
hemellichamen).[16]
De kerkvaders vonden dit helemaal
geen heidense gedachte, onverzoenbaar met het scheppingsverhaal,
integendeel. Zij waren vaak meesters van de integratie (zeker als zij
Platoons georiënteerd waren) en lazen in hun bijbel zelfs een bevestiging
van de gedachte van Pythagoras. In ‘wijsheid van Salomo’ (Sapientiae
Salomonis, een deutero-canoniek boek, maar dat onderscheid wordt pas
werkzaam na de 16de eeuw) staat immers, dat God “van alles maat,
getal en gewicht bepaald heeft” (sed omnia in mensura et numero et
pondere disposuisti), waarna het maar een kleine stap was om te spreken
over allerlei mensuren en mystieke getallen en de wereldordening te
beschrijven conform het stemmen van snaren volgens bepaalde
getalsverhoudingen.[17]
De musicus die dat instrument beheerst (en David was natuurlijk de beste van
allen, nog beter dan Orpheus, die de natuur kon laten wenen) is niet zozeer
een groot artiest, maar een door God begenadigde ‘schepper’, want zijn daden
zijn verwant aan Gods oercreatie, de poiesis van hemel en aarde. Zo
kan de constructie van de luit, het stemmen en bespelen van de snaren een
beeld worden voor Gods scheppingsdaad zelf. Ten bewijze slechts één citaat
uit velen. Hoewel het hier niet gaat over een luit, maar een harp of cither,
blijft de symboliek hetzelfde.[18]
Het citaat is van Honorius van Autun (12de eeuw) die in een populariserend
boekje, een tractaat eigenlijk, de vraag aan de orde stelt wat het wil
zeggen
“dat het universum is opgebouwd op de wijze van een cither (citharam,
waardoor verschillende soorten dingen samen klinken (consonantia) op
de wijze van snaren.”
In zijn toelichting noemt hij God
“de
Grote Ambachtsman die het universum gemaakt heeft als ware het een grote
cither (citharam). Hij heeft daarop bij wijze van spreken snaren
aangebracht om een verscheidenheid aan klanken te krijgen: zo scheidde hij
hij bij zijn scheppingswerk het universum in twee delen, die op zich
tegenstrijdig zijn (contraria): Immers Geest en Lichaam zijn als een
mannenkoor en een knapenkoor en brengen dus een bas en een hoge stem voort,
die hoewel van nature tegengesteld, in wezen (essentia) heel goed
overeenkomen… Materiële zaken imiteren op soortgelijke wijze het onderscheid
in stemmen, omdat de dingen onderverdeeld zijn in verschillende geslachten,
soorten, individuen, vormen en getallen; Zij klinken allemaal harmonieus
tesamen (concorditer consonant), zolang ze qua maat-en-melodie (modulis)
de inwendige wet gehoorzamen, a.h.w. echt klinkend. Een elkaar antwoordend (reciprocum)
geluid brengen zo geest en lichaam, engel en duivel, hemel en hel, vuur en
water, lucht en aarde, zoet en bitter, zacht en hard, en op gelijke wijze
ook de overige dingen."[19]
Het is duidelijk waar Goulart (en
Revius) de mosterd vandaan gehaald hebben, uit de klassieke traditie waarin
zij beiden nog voluit stonden, waarin de goedheid van de schepping niet
zozeer gezocht werd in functionaliteit of rechtvaardigheid, zelfs niet in
mensvriendelijkheid, maar in een verborgen evenwicht, een balans tussen
strijdige dingen. Voor hen was het allemaal een kwestie van de dingen ‘in de
juiste verhouding’ proberen te zien en zo op mystieke wijze proberen te
begrijpen, te beleven, dat ‘alles klopt’.
Tegen deze achtergrond wordt de
slotzin van Revius des te spannender, omdat hij hier wel verplicht was af te
wijken van zijn voorbeeld en inspiratiebron. Immers in het gedicht van
Goulart loopt het sonnet uit op een lofprijzing op de dichter Du Bartas,
wiens gedicht als een ‘echo’ van de goddelijke muziek der sferen wordt
gekarakteriseerd.[20]
Revius heeft daar in zijn gedicht geen boodschap aan en moet dus een andere
draai geven aan zijn sonnet. Hij doet dat zoals we van Revius kunnen
verwachten, middels een vrij onverwachte theologische wending. Volgens hem
is de harmonie der sferen voor de mens niet zomaar inzichtelijk, kun je de
vinger Gods niet zonder meer waarnemen, de musica mundana horen. Er
is volgens Revius een bijzondere openbaring nodig, anders ‘hoort de mens
niets’. Enkel de hiertoe door God uitverkorenen kunnen de goddelijke muziek
horen, dat wil zeggen: de gegeven werkelijkheid beleven als ‘goede
schepping’.
Den mensch alleen en hoort noch
sangeren noch snaren, Behalven dien 't de Heer belieft te openbaren Na
sijn bescheyden[21]
raet en Goddelijcken wil.
In modern Nederlands:
De mens op zich hoort geen
zanger en geen snaren
Tenzij het de Heer belieft
zich aan hem te openbaren
Naar zijn oordeelkundige raad
en goddelijke wil.
Strengholt vindt dit slot wat
teleurstellend, maar vergeet daarmee dat dit voor een theoloog een
fundamentele uitspraak is. Revius belijdt hiermee dat hij wel gelooft in een
volkomen goede schepping, maar zich tegelijk bewust is van de verborgenheid
daarvan. Hij wijst – technisch-theologisch gezegd – de natuurlijke theologie
af. De mens kan uit zichzelf de wereld niet zo beleven. Hij kan dat pas als
God hem hiervoor de ogen opent. Ook de belijdenis dat ‘God de Schepper is
van hemel en aarde, van alle zienlijke en onzienlijke dingen’ is een
geloofsbelijdenis, dat wil zeggen een mystieke uitspraak: Het geloof is de
vaste grond der dingen die men niet ziet…, maar die wel in
essentia waar zijn.
Dick Wursten
BIJLAGEN
I. Anonymus (Simon Goulart?)
[voorafgaand aan G. de saluste, Sieur du Bartas,
Sepmaine, ou création du monde &c. Reveue par S.
G[oulart].
Goulart verzorgde reeds in 1581 een editie met zijn
commentaar, waarna vele niet identieke herdrukken volgden. Ook de
lofdichten aan het begin variëren bijna per druk. De eerste vermelding van
dit gedicht voorzover mij bekend : editie van 1601 (Raphael du Petit Val,
Rouen).]
Sonet
Dieu bandant ce grand Tout d'invisibles tendons,
En fit un Lut garni de tout son equipage,
La table de ce Lut fut son divin estage,
La rosette, les yeux des celestes brandons.
La terre & l'Ocean furent les gros bourdons,
La chanterelle, l'aer, le reste du cordage
Furent les corps meslés, & lá de maint passage
Son pouce fit bondir ses eternels fredons.
Mille accords ravissans par ce rond s'espandirent,
Que fleuves, & rochers & forests entendirent,
Sous des ars si nombreux allans a pas contés.
Les hommes estoyent sourds á la musique auguste,
Quand pour les esveiller Dieu suscita Saluste,
Saluste l'Echo sainct de ses divins motetz.
II. William
Drummond
[voorafgaand aan A. Symson, Heptameron, the Seven Dayes, &c.
(Saint Andrew's, 1621)]
God, binding with hid tendons this great All,
Did make a lute which had all parts it given ;
This lute's round belly was the azur'd heaven,
The rose those lights which he did there instal ;
The basses were the earth and ocean ;
The treble shrill the air ; the other strings
The unlike bodies were of mixed things :
And then his hand to break sweet notes began.
Those lofty concords did so far rebound,
That floods, rocks, meadows, forests, did them hear,
Birds, fishes, beasts, danc'd to their silver sound ;
Only to them man had a deafen'd ear :
Now him to rouse from sleep so deep and long,
God waken'd hath the echo of this song.
noten
[2]
Het opstel waarin Stengholt Revius’ Vorlage onthulde is
gepubliceerd in zijn verzamelbundel Bloemen in Gethsemané
uit 1976. Reeds eerder had J.C. Arens een bijna gelijkluidend
Engels gedicht van William Drummond gevonden, daterend uit 1621.
Beide gaan onafhankelijk van elkaar, terug op hetzelfde origineel
als vertaling/imitatie van Goulart. Zie L. Strengholt, ‘translatio
en imitatio. Nieuwe bewijzen van Revius’ verplichtingen aan de
Franse poëzie’, in id., Bloemen in Gethsemané, p. 140-142.
Het gedicht van Goulart “Dieu bandant ce grand Tout d’invisibles
tendons, / en fut un Lut garni de tout son équipage" is een lofdicht
op Guillaume du Bartas en verschijnt voor het eerst (voorzover ik
kon nagaan) als encomiastisch gedicht (samen met een hele reeks
andere) in een editie uit 1601 van Guillaume Saluste Du Bartas' La
Sepmaine. Het gedicht zelf is overigens niet ondertekend; dus de
toewijzing aan Goulart is niet 100% zeker. Het gedicht van William
Drummond of Hawthorden (1585-1649) siert de inleiding van een
vergelijkbaar werk in het Engels van M.A. Symson, Heptameron, the
seven dayes ... (1621). Het wordt voorzover ik kan nagaan in
Engelse publicaties waarin het geciteerd wordt niet herkend als een
imitatie van het Franse origineel. De tekst is opgenomen in het
artikel van J.C. Arens, ‘Twee sonnetten bij Revius en Drummond’, Neophilologus 47
(1963), 151-153 en wordt ook afgedrukt door Strengholt (p.
140-141). Daar ook verdere referenties en een overzicht van
bloemlezingen waarin Revius’gedicht is opgenomen. Verder is het
natuurlijk te vinden in The poems of William Drummond of
Hawthornden, ed. W. M. C. Ward, vol. 2 (London 1894), p. 106
(Commendatory verses).
[4]
Strengholt geeft een overzicht van commentaren en uitlegkundige
voetnoten bij deze regel (Van Vloten, Stapelkamp, Heeroma, Van
Duinkerken, Buitendijk, Bittremieux, Van den Doel en W.A.P. Smit);
hij vergelijkt het ook met de Engelse vertalingen van Warnke en Ten
Harmsel. Bij dit vers is iedereen het eens, zij het met meer of
minder aarzeling. Het feit dat de Vorlage van Goulart spreekt
van ‘tendons (pezen) doet ook Strengholt zich – zij het
schoorvoetend – neerleggen bij deze vergezochte betekenis van het
woord ‘clavieren’. In dit opstel ben ik overigens de dwerg die
verder kan kijken dan de reus (Strengholt), omdat ik op zijn
schouders mag zitten.
[5]
Martin van Schaik, The Harp in the Middle Ages; the symbolism of
a musical instrument (Amsterdam, 1992) citeert op p. 55 de
beschrijving van de cither bij Michael van Meaux (geboren 1199) in
diens commentaar op Psalm 98:5 (“Prijst de Heer met de cither”). De
tekst gaat in op het ‘stemmen’ van de cither en de wijze waarop de
snaren erop zijn bevestigd: “In cithara duo sunt ligna, superius et
inferius; inferius concavum. Superius solidum. Inter hec
tenduntur cordae, quibusdam clavis deorsum tendentibus, quisbusdam
sursum trahentibus." ‘De cither bestaat uit twee houten delen,
een boven en onderstuk. Tussen deze twee delen worden snaren
gespannen, waarvan sommige door sleutels of pinnen naar beneden
worden gespannen, anderen naar boven worden getrokken.” Clavis
komt ook hier van het latijnse woord clavus (nagel, spijker),
nauw verwant maar niet identiek met clavis. Voor meer détails, zie
Van Schaik, p. 51, 57 (tabel).
[6]
Het voorbeeld in WNT Klauwier II, sub b1: vertaling van uncus
bij Horatius Carm. I, 35, v. 20: “Draegende in haere
yseren handen … den wreeden klavier”.
[7]
NWT: Bocht (5): “De ronde, omgebogen kant van het
schip, inzonderheid aan den voorsteven.”
[8]
In tegenstelling tot wat
Strengholt (p. 147) beweert, verwijst ook de Engelse vertaling
(“This Lutes round belly…”) naar het klankbord en niet naar de
klankkast: “The belly of a violin” is het
bovenblad van een viool.
[9]
Ook W.A.P. Smit kiest in zijn editie voor ‘reyen’ en merkt dan in de
voetnoot op: “riggels, waarmee de klankkast van buiten versierd was
(Fra. raie)”, opnieuw een wat duistere toelichting.
[10]
Dan zou het woord ‘regels’ in betekenis besmet zijn door het woord
‘ribben’ een term die gebruikt kan worden voor de gebogen latten van
de luitkast (Strengholt p. 148) WNT rib I, 5 c bèta, alwaar volgend
citaat: “Hare kast (t.w. die van de luit), in den vorm eener halve
amandel uit dunne houten duigen of ribben zamengesteld” (LAND,
Luitb. v. Thysius 11).
[11]
Voor een gedetailleerde bespreking van alle interpretaties, zie
Strengholt, p.146-150.
[12]
Zie Martin van Schaik, The Harp in the Middle Ages, p. 38-61
(hoofdstuk 2), waarin de symboliek van de harp wordt getraceerd en
wordt uiteengezet hoe middels dit instrument zowel de orde van de
micro-kosmos (David die op de harp speelt, zorgt ervoor dat Saul
weer goedgestemd wordt) als de orde van de macro-kosmos kan
worden aangeduid. Ook het stemmen van de snaren als een beeld voor
‘tuning reality’ tot ze ‘klopt’ (concordia discors) wordt hier
behandeld, zowel met betrekking tot de ganse schepping
(macro-kosmos) als de mens (micro-kosmos). Beide zijn geschapen
volgens dezelfde volmaakte verhoudingen. Men denke aan de bekende
afbeelding van de Vitruviusmens van Leonardo da Vinci.
“[David’s] harp-playing before King Saul can be explained as the
imposition of order on the microcosmos. The roots of this
interpretation lie in Greek philosophy. The motif shows a close
affinity with the idea of the 'harmony of the soul', as put forward
by Plato, Philo of Alexandria and other writers.” (p. 58). Een nog
interessantere parallel is de typologie David-Christus: “By linking
David with the imposition of order on both the micro- and the
macrocosmos, it was possible to represent him in Christian
iconography as the figure of the Christ-Logos who maintains this
same order.”. Sterker nog. Omdat God alles door
het Woord (=Christus) heeft geschapen zijn er afbeeldingen die David
laten zien, terwijl hij de harp stemt, maar die feitelijk een
afbeelding zijn van de schepping, waarbij God zijn orde (muzikale
proporties) oplegt aan alle dingen. (Zie ook de excurs “The concept
of mensura in het Psalm initials, p. 136-141.). Voor deze
thematiek, ook aanwezig bij Revius, zie infra.
[13]
Zie hiervoor met name de studie ‘Symbolic geometry in the
Renaissance lute rose’ van R. Headlam Wells, opgenomen als hoofdstuk
5 in id., Elizabethan mythologies: studies in poetry, drama and
music (Cambridge, 1994).
[14]
Bij Goulart is de link naar de vier basiselementen nog duidelijker:
de zon en maan als fakkels (brandons) staan voor het vuur,
dan de aarde, het water en de lucht. De benaming ‘quinte’ komt
misschien wat vreemd over, maar is ondubbelzinnig.
WNT, Kwint IV; “Voorheen
de vijfde snaar van eene vedel met vijf of meer snaren, thans de
hoogste snaar van de viool (die maar vier snaren heeft).” Vanuit
de strak
opgebouwde beeldspraak (bas = het ondermaanse / quint = lucht; het
overige de dingen ertussenin), moet hier wel de hoogste snaar mee
bedoeld worden. Het Franse origineel, dat Revius hier heel precies
volgt, spreekt van ‘chanterelle’, wat nog steeds de gebruikelijke
naam is voor de hoogste snaar op een strijkinstrument. Het Engels
van Drummond is ook duidelijk: bass en treble.
[15]
Nog eenmaal prachtig
verwoord door John Dryden (1631–1700) in A Song for St. Cecilia’s
Day (1687):
“From harmony, from
heavenly harmony, / This universal frame began…”., in 1739
getoonzet door Handel. Voor een
algemene behandeling van dit thema, zie Karina Williamson, ‘From
heavenly harmony to eloquent silence: representations of world order
from Dryden to Shelley’, The Review of English Studies, New
Series, 55 (2004), 528-544. zie ook elders in mijn website:
harmonia mundi en fragmenten van
gedichten van Dryden en Auden
[16]
Institutio Oratioria, Lb. I, X, 12 “Atqui claros nomine
sapientiae viros nemo dubitaverit studiosos musices fuisse, cum
Pythagoras atque eum secuti acceptam sine dubio antiquitus opinionem
vulgaverint mundum ipsum ratione esse compositum, quam postea sit
lyra imitata, nec illa modo contenti dissimilium concordia, quam
vocant harmonian, sonum quoque his motibus dederint.”
[17]
In De institutione musica (Lb. I, cap. 10-1) verbindt
Boethius ook heel expliciet het concept mensura (maat,
afmeting, verhouding) met de correspondentie
tussen de interne afmetingen van snaren en fluiten en de
getalsverhoudingen van Pythagoras. Voor de rol van dit begrip
mensura in de Middeleeuwse muziektheorie, zie het excurs
hierover in Van Schaik, The harp in the Middle Ages, p.
136-141.
[18]
Bespreking van alle verschillende snaarinstrumenten en termen bij
Van Schaik, The harp in the Middle Ages, p. 16-37 (conclusie
op de p. 36-37).
[19]
Honorius van Autun, of Honorius Augustodunensis, was een leerling
van Anselmus van Canterbury en een volksopvoeder pur sang.
Zijn Elucidarium was een zeer populaire dogmatiek. Zijn
teksten zijn verspreid over heel Europa
(meer dan 1000 handschriften van hem zijn overgeleverd) en sommige van zijn werken werden vertaald in de volkstaal. Dit citaat komt uit,
Liber Duodecim Quaestionum (Migne - Patrologia Latina -
Volumen 172: Col 1177 - 1186A). Het betreft de tweede kwestie:
“Quod universitas in modum cytharae sit disposita, in qua diversa
rerum genera in modum chordarum sint consonantia.” Honorius licht
dit alsvolgt toe (de schuingedrukte pasages heb ik vertaald): “Porro
ante creationem angelorum scribitur: In principio fecit Deus coelum
et terram (Gen. I). Ad quid fecit coelum? Ut habitatio esset
angelorum. Ad quid terram? Ut esset habitatio hominum. Summus
namque opifex universitatem quasi magnam citharam condidit, in qua
veluti varias chordas ad multiplices sonos reddendos posuit: dum
universum suum opus in duo, vel duo sibi contraria distinxit.
Spiritus enim et corpus quasi virilis et
puerilis chorus gravem et acutum sonum reddunt, dum in natura
dissentiunt, in essentia boni conveniunt.
Ipsi [1179C] ordines spirituum reddunt discrimina vocum, dum
archangeli angelos in gloria praecellunt, illos autem virtutes
honore transcendunt, has vero potestates dignitate vincunt, et his
Principatus superiores existunt. Horum gloriam Dominationes
superant, ipsaeque thronos in claritate non aequiparant; et hos
Cherubim in scientia, Seraphim in sapientia obscurant. Qui omnes
dulci harmonia consonant, dum concorditer suum factorem amando
laudant; et singulis propria gloria sufficit, nec quis alterius
donum concupiscit. Similiter corporalia vocum discrimina
imitantur, dum in varia genera, in varias species, in individua, in
formas, in numeros separantur: quae omnia concorditer consonant, dum
[1179D] legem sibi insitam quasi tinnulos modulis servant.
Reciprocum sonum reddunt Spiritus et corpus, angelus et diabolus,
coelum et infernus, ignis et aqua, aer et terra, dulce et amarum,
molle et durum, et sic caetera in hunc modum.".
[20]
Saluste’s poëzie is een ‘Echo sainct de ses divins motetz’.
[21]
‘bescheiden’: Oordeel hebbende, verstandig, t.w. als behoorende bij
het ww. bescheiden in den zin van oordeelen, beslissen.
(WNT, bescheiden I, A, 2)
|