|
||
| woensdag, 30 november 2011 |
|
[gedichten]
[rondom het 12-jarig bestand]
[afd: grafschriften]
|
Iacobi Revii: Over-Ysselsche Sangen en Dichten
- Eerste Boeck = gedichten &cetera in de volgorde van Oude Testament - Tweede Boeck = gedichten &cetera in de volgorde van Nieuwe Testament - Daarna: gelegenheidsgedichten (treurdichten, epigrammen, emblemata, actualia)
Hieronder een kleine selectie uit zijn talrijke gedichten. Bij verscheidene gedichten heb ik een korte toelichting opgenomen. Nu vast dit: 14-regelige gedichten zijn niet altijd sonnetten. De typografie van het origineel is duidelijk genoeg. Ook houdt Revius zich aan het klassieke rijmschema en de inhoudelijke beweging van het Italiaanse sonnet zoals dat via Frankrijk (Clément Marot) in Nederland had ingang gevonden.
Veel leesgenoegen gewenst...
NB: surf eens http://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php3?id=revi001 en u kunt zijn Overijsselsche gezangen allemaal lezen. (ed. W.A.P. Smit, waarnaar ik hieronder ook verwijs)
Waer ick een nachtegael, ick wou mijn Schepper eeren Met sijnen grooten lof altijt te quintileren Dat bosschen, berch en dal sou deunen vanden clanck, En de wout-vogeltgens vergeten haren sanck: K’en ben geen nachtegael, maer in veel grooter eere Een mensch, het even-beelt van aller Heeren Heere: Ick wil dan mijne stem doen hooren alle man En prijsen hem soo hooch en verre als ick can: Niet vragende een sier na al het lelijck pruylen Of misselijck getier van aexters en van uylen, Versekeret dat hy die eeuwichlijcken leeft Mijn tong' tot sijnen roem alleen geschapen heeft. I,9
Gelijk als in een kolk een steentjen valt te gronde het water werpt terstond een ringsken in het ronde, en van het eene komt een ander schieten uit, waarvan een ander straks en weer een ander spruit, zoodat in korten tijd de oogen daarop dwalen, de grootte noch 't getal niet kunnend' achterhalen: zoo gaat het ook met mij, o groote God en Heer, Van toen mijn tong begon te stamelen uw eer, het eene denk ik na, het ander valt mij inne, uw wijsheyt, uw gericht, uw waarheid, uwe minne: omringen mij te sâam in eenen oogenslag; en wil ik van het een of 't ander doen gewag, uw raad en uw besluit mij zoo geheel verslinden dat ik daarin noch grond noch oever weet te vinden. I, 12-13
God heeft de werelt door onsichtbare
clavieren Het roosken, son en maen die om ons hene swieren.
Twee grove bassen die staech bulderen
en tieren
Dees luyte sloech de Heer met sijn
geleerde vingers,
Den mensch alleen en hoort noch
sangeren noch snaren,
De swaen haer kuyckens broedt opt droochste vande velden, Maer selver in het drooch verkeertse wonder selden: Veel ouders seggen: kint, och speent u vanden wijn, Die met den neus' int nat self al te garen sijn. I, 45 Soonen De soonen zijn Gods gaef: t’sijn pylen inde handen Eens crygers, om daer mee te vellen zijn vyanden. Maar pylen zijnt almee waer door des vaders hert Wel menichmael geraect en doorgeschoten wert. I,45
[opm: in hs. van Revius in C. met plaatsaanduiding ]
K'en weet niet hoemen can met redenen verbloemen Dat luyden sonder deucht op haer geslachte roemen. Want isser yemant lam of sleypet hy het been Wat helpt hem dat sijn vaer was rustich op zijn leen? Stinckt yemant als een groep, wat salt hem connen baten Dat zijn grootvader roock na soete muscheliaten? Staet u het heele lijf tot gavel ende ploech Wat passet u den helm die yemant voor u droech? T'en is geen edelman die leeft gelijck een verken, Dewijl den adel rijst wt deuchdelijcke wercken. I, 45
Op aerden zijn geweest vier groote Conincrijcken Waer voor de andere de vlagge mosten strijcken: Ick weet een vijfde noch dwelck hoger is ge-eert, Dat is, wanneer de mensch hemselven wel regeert. I, 45
enkele coupletten uit het Vijfde Gezank op de wijze van den 101sten Psalm
Bruid 1. Mijn oge sliep in weelde zonder zorgen, Maar 't klein geloof in 't wakker hert verborgen Hoord' een geklop: mijn zuster, mijn vriendin Komt laat mij in.
2. Mijn duive wit, staat op, en doet mij open, Den koelen dauw heeft mij mijn hoofd bedropen. Veel pijn en smart heb ik om u alleen Eilaas, geleên.
3. Ik zeide, vriend, 'k en kan mij zo niet rassen, Mijn lichaam rust, mijn voeten zijn gewassen. Zoud' ik mijn kleed met moeit' weer trekken aan En tot u gaan?
4. Mijn liefste trak zijn hand fluks van der deuren. Mijn herte smolt, mijn ingewand wou scheuren, Ik vloog van 't, bed om dien die ik bemin Te laten in.
7. De wachters die de stad omgaan in 't ronde In plaats van troost mij sloegen wond' op wonde. Mijns hoofds sieraad en deksel namen zij Met kracht van mij.
8. Gij dochters van jeruzalem hierbinnen Vindt gij mijn lief, zegt dat ik krank van minnen Zo hij mij niet in liefde weer aanziet Kan leven niet.
19. Mijn lief is mijn, hij zal het ook wel blijven: Hem koom ik toe, en zal aan hem beklijven. In ‘t paradijs daar hij mij leiden zal Ik weiden zal. I, 113-115
Ghy die Permessi vloet gaet
watersuchtich lecken, Mijn Phoebus is de Son die
t'edel hooft ging decken Mijn Cyrrha is het bloet daer
met hy ons genas, Sijn leven ende doot zijn
t'ongemeten stof
Op: Ick sie u wel, al loopty snel
1. Ick ken u wel, ô vande hel Bestormer en verwinder, Al legdy hier, onnosel dier Gelijck der menschen kinder.
2. God eeuwich Soon, wt uwen troon Sijt ghy ons comen nader Op dat de Heer, tot sijner eer Mocht worden onsen Vader.
3. Die noyt en paerd’ u heeft gebaert En sonder sond’ u teelde, Op dat de vleck, en ‘tvuyl gebreck Van ons geboorte heelde.
4. Ons droeven val, heeft inden stal O Coninck u verschoven Dus maeckty ree, een reyne stee Voor al die u geloven.
5. Int scherpe strooy en dempich hooy, Ligdy met cleyner lusten Op dat een dach, mijn siele mach, Te sachtelijcker rusten.
6. De winter-lucht, en 'twintgerucht O Jesu doet u kermen Op dat ghy sout, mijn herte cout In uwer liefde wermen.
7. De naare nacht, in sware clacht Doet meerderen u pijnen Dies mijn gesicht, het helle licht In eeuwicheyt sal schijnen.
8. Het soute nat, o weerde schat Rolt over uwe wangen Op dat mijn ooch, van tranen drooch Genade mocht erlangen.
9. U handekens, in bandekens O heylant sijn gewonden Op dat ick zy, verlost en vry Van alle mijne sonden.
10. U lippen root, de sondaers snoot Vertroosten also soetgens, Der slangen cop, daer suldy op Noch treden met u voetgens.
11. U oochgens reyn, al sijnse cleyn Doorstralen alle hoecken, Ontsienelijck, maer vriendelijck Voor die u aenschijn soecken.
12. O bruydegom, weest wellecom Ick heb u lang' gebeydet, Oock in mijn hert, geboren werd En nimmer van my scheydet.
Trage siel, die in my slaept
Siet hoe hem u Schepper buckt,
Ah! sijn sweet is enckel bloet
En my dunckt dat ick aenschou
T’blonde roosken gloeyt sijn
schoot
Maer een bloem int duyre bloet
Godes milde goedichheyt
Droeve siel, die in my weent,
Syn bloet sy over ons ende onse kinderen
Het geen u vyant riept tot zijn verderf en schade Dat roep ick to u oock, ô heylant vol genade, Maer tot mijn salicheyt, in vieriger aendacht; U bloet zy over my en over mijn geslacht. U bloet sy over my, mijn sonden te versmoren, En op mijn kinderen, om t’quaet haer aengeboren Te wasschen, en haer siel te redden van gepijn. Soo sal der Joden vloeck voor ons een segen zijn. I, 222
Hy droegh onse smerten
T'en zijn de Joden niet, Heer Jesu,
die u cruysten,
T'en sijn de crijghs-luy niet die met
haer felle vuysten
Ick bent, ô Heer, ick bent die u dit
hebt gedaen,
De nagel, en de speer, de geessel die
u sloech,
Ick heb om u
genaed' o grote God, gebeden,
Ick heb om uw
liefd' geworstelt en gestreden
Hoe licht cost u
genae bekeren mijn gemoet.
Eylaes! wat
seg'ick Heer! dewijl mijn herte tracht
[rondom het 12-jarig bestand]
Schoon is het gout het schoonste der metalen, Schoon t'alebast, en t'luchtige crystal, Schoon is het licht wanneer de son gaet dalen, Schoon t'elpenbeen, en t'rosenroot coral, Schoon is de mey met bloemen sonder tal, Schoon is de Seeg' met haer becranste sweerden, Maer, die de croon moet dragen boven al, Schoon is de vree de schoonste opder eerden. II, 19
Ick sie dat inde vry-genaemde Nederlanden Die vry sijn metter daet seer weynich sijn voorhanden. Den eenen is een slaef vanden gemeenen man, Den ander van het gelt, de derde vande kan, En menich, die wel geern een vry-heer heten soude Gesloten leyt te hoof met ketenen van goude. O Nederlant, t'en is den rechten vry-dom niet Dat ghy ontlastet zijt vant Castellaens gebiet En ondertusschen draecht het sware jock der sonden: zo Dient God, so sydy vry, al waerdy oock gebonden. II, 19
De Joden veertich jaer de wildernis doorgingen In moeyte, in gevaer in schaersheyt aller dingen, Opt eynde van dien tijt en na dien droeven stant Brocht haer Jehosua in het beloofde lant: Den oorloch veertich jaer int wilde ons dee lopen, Nu doet den treves ons t'lant van beloften open Daer ons de Spangiaert deylt beloften sonder maet Beloften sonder gront, beloften sonder daet, En wou dat wy ons selfs met siel en lijf vercoften Voor een geschildert lant van ydele beloften. II, 19
[afd: grafschriften]
Op het overlijden van Claude Bernart, organist, tot Deventer
Het orgel is een beeld van 't leven hier beneden. Veel pijpen staan d'r in verdeeld in haar geleden, Een ieder heeft zijn plaats, een ieder zijn geschrei: Zo is de staat en praat der mensen velerlei. Gij hoort de lichtste pijp het allerhoogste blazen, Ook die het minste weet wil 't allermeeste razen. Nu ziet eens het pedaal, men treedt het met de voet, En geeft nochtans den dreun daar 't al op steunen moet: Wat wordt er menig hier met voeten ook getreden Die deftig is in konst en loffelijk van zeden! Het orgel houdt hem stil als 't niet wordt opgewekt Van die de pijpen stelt en de registers trekt: Ook zou hem het gemeen voorzeker wel bedaren Wanneer d'r hier en daar geen pijpenstellers waren. Als ‘t orgel accordeert dan is 't zuiver werk, Nog beter is de vree in 't land en in de kerk. Tot psalmen en gebee’n wordt 'torgel recht gebruiket: O zalig welker keel des Heren roem ontluiket! Maar ah!, het orgel speelt onwetende zijn lied, En menig zingt en dankt, en 't hert en voelt het niet. Hoort vrienden, 't is maar wind, een wind die weinig blijvet Die ons bij 't leven houdt, en die het orgel drijvet: Douwt eens een pijpken toe, 't en slaat niet meer geluid: Stopt ons den adempijp, het leven is er uit. Dit dacht gij (mogelijk) o Claudi, als de peste Met een venijnde flits u haastig gaf de reste; Voor ons wel droefelijk, die uwen zoeten zang Heeft deugdelijk verheugd zo vele jaren lang, Maar wenselijk voor u, die eeuwiglijk hierboven Met een veel schoner stem zult uwen Heiland loven. II, 39-40
Van een Luyaert Hier rust de luye Melis Brant. Wat seg’ick? ‘tis een misverstant: Hoe can te rusten sijn geseyt Die nooyt en heeft gearrebeyt? II, 43
Van Griet en Piet Ons Griet wil hebben rijcke Piet. Denckt eens, hoe slim dat dese pry is! [pry = verachtelijk: vrouw] Maer rijcke Piet en wil haer niet: My dunckt, hy is soo slim als sy is. II, 43
Deventerse burgemeesterszoon, vluchtelingenkind, geboren en getogen in Amsterdam (temidden van Antwerpse ballingen) na vlucht uit Deventer opgevoed op kosten van de stad Deventer, gestudeerd te Leiden & Franeker, eminent Hebraicus en Graecus, 2-jarige reis door Frankrijk langs alle centra van hugenotencultuur en - wetenschap (Cl. Marot, Pléiades), predikant te Deventer, revisor van de Statenvertaling, regent vh theol. college te Leiden. “Gedragen door een vrouw vol onrust, die met de stad ook het leven van haar ongeboren kind bedreigden – geboren onder den angst voor het verraad – gezoogd door een moeder, in zorg om de afwezigheid van haar man, hevig schrikkend door het toch nog onverwachte verraad – – Revius moeilijk anders worden dan de zoon van zijn fellen tijd: hartstochelijk in zijn liefde, teugelloos in zijn haat.” W.A.P. Smit, De dichter Revius, p 88
enkele werken: theologie: Griekse vertaling van de Nederlandse geloofsbelijdenis (1623) Nederlandse vertaling van Suarez Disputationes Metaphysicae (1644) historisch: uitgave van Epistres Françoises à Jos. I. de La Scala (1624) Historia pontificum Romanorum (1632) en Daventria Illustrata (1651) gedichten: Het Hoghe Liedt Salomons (1621) Triumphliedt op de veroveringe van ‘sHertogen-bos (1629) Over-Ysselsche Sangen en Dichten (1630, 1634 2de vermeerderde druk.) Verbeterde psalmberijming van Datheen.(1640)
|
This site was last updated donderdag, 19 augustus 2010