De
farizeeër en de tollenaar
Lukas
18: 9-14
Genk,
19 november 2006
‘Het christendom kwam in de wereld, en leerde dat ge niet hoogmoedig
en ijdel u op de eerste plaats moet zetten aan het feestmaal, maar
de laagste plaats moet kiezen en weldra zaten hoogmoed en ijdelheid
ijdel en wel onderaan, op de laagste plaats, dezelfde hoogmoed, neen
zelfs een ergere. Sinds de Jezus de gelijkenis van de farizeeër en
de tollenaar heeft gesproken, bidt de farizeeër als een tollenaar’
Sören Kierkegaard
Gemeente,
deze
uitspraak maakt duidelijk, dat het niet zo simpel is om over ‘goed
en kwaad’, ‘echt en slecht’, ‘oprechtheid en huichelachtigheid’ te
spreken. Soms liggen ze heel dicht bij elkaar, soms lopen ze zonder
erg in elkaar over, soms slaat het een in het ander om. De farizeeër
kan als tollenaar verkleed gaan, de vos kan de passie preken, een
wolf kan in schaapskleren verschijnen, de duivel kan zich voordoen
als een engel des lichts.. En de gelijkenis noopt je er bijna toe
te zeggen: en vice versa…
’t Is
gewoon waar, wat Kierkegaard signaleerde: Zo gaat dat in het leven
en in de kerk.
Laten
we met deze waarschuwingen in het achterhoofd, de gelijkenis nog
eens op ons laten inwerken:
Twee
mensen worden ons voor ogen gesteld. Het zijn twee ‘typen’, d.w.z.
ze staan voor twee ‘soorten’ mensen. Zulke ‘typische’ tweetallen kom
je vaker tegen in de Schrift. Ze zijn pedagogisch-didactisch
bedoeld. Ze zijn vaak elkaars tegenbeeld en in hun onderlinge
interactie, betrokkenheid beelden ze iets wezenlijks af, dat in
ieder mens zit.
Ze
zijn elkanders tegenpool, maar we moeten ze dus niet tegen elkaar
uitspelen / wegstrepen, maar beseffen dat ze samen de ‘hele mens’
zijn. De mens is een tweeling, heeft in zich tegengestelde
tendenzen, twee gezichten soms: een binnen- en een buitenkant, een
primaire persoonlijkheid en een verborgene eronder, die vaak erg
sterk met die ander contrasteert… een lieve kant, maar ook een
kwaaie kant: afin noem maar op: Animus.. Anima.
Een
gelijkenis brengt die innerlijke dubbelheid in de mens onder
woorden door ze naar buiten te brengen en in twee personen
vorm te geven. Twee typen, anti-typen…. En door ze ze zo tegenover
elkaar te zetten kun je de interne spanning waarin ieder mens met
zichzelf staat aan de orde stellen. Kaïn en Abel; Jakob en
Ezau; een vader had twee zonen…twee moordenaars naast Jezus aan het
kruis… Als je ze op elkaar betrekt onhullen al deze tweetallen iets
essentieels over de mens.
Terug
naar onze gelijkenis.
In
deze gelijkenis zijn het twee mensen uit het leven gegrepen. De
hoorders van Jezus zagen het allemaal meteen voor zich, met
bijpassend waardeoordeel: De rechtvaardige bij uitnemendheid en de
onrechtvaardige bij uitstek, de farizeeër en de tollenaar.
Als
die elkaar tegenkomen op straat, dan zou dat nooit tot een
ontmoeting leiden. Met een grote boog zou de farizeeër om de
tollenaar heen lopen en de tollenaar: die ziet de farizeeër als
tolplichtige.. belastingbetaler.
Jezus
laat ze samenkomen in deze gelijkenis. Hij neemt ze daarvoor uit het
gewone leven en zet ze in de tempel.
“Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden..”
U kent
het gebouw wel met z’n beroemde driedeling: de voorhof (daar mocht
iedereen nog komen), het heilige (waar enkel priesters waren
toegelaten) en het ‘heilige der heiligen’, waar enkel de
hogepriester kwam eenmaal per jaar op de grote verzoendag..
Eigenlijk een zeer eigenaardig gebouw. In zijn architectuur alleen
al onderstreept het de oneindige afstand tussen God en mens. Het is
dat de hogepriester nog één keer het allerheiligste betreden mag,
zij het onder veel voorzorgsmaatregelen, plichtplegingen en
zoenoffers, want anders zou je geneigd zijn te zeggen: God en mens..
never the twain shall meet.
Ookal
hoort men tot het volk van God, het verbondsvolk, Israel, dan nog
kan men niet zómaar tot God naderen. grote delen van de thora
onderstrepen juist dàt. Het heilige is heilig, apartgezet..
gedeeltelijk taboe.. een mens kan daar niet zomaar binnentreden..
Daar is God…
Behoedt uw voet, wanneer gij naar des HEREN huis gaat,
zegt ook de overigens zo relativerende Prediker.
Welnu,
als de farizeeër deze heilige ruimte binnenkomt, overvalt hèm geen
verlegenheid. Hij kent geen aarzeling, hij ‘behoedt zijn voet niet’;
hij houdt zijn voet niet in, neen hij stapt stevig door en betreedt
de gewijde grond alsof het zijn eigen is. Hij voelt zich daar thuis.
Hij is daar met recht en reden en mag daar ook zijn.
Met
een gerust hart kan hij de woorden van psalm 24 in de mond nemen.
Zijn handen zijn rein en zijn hart is zuiver, valsheid en bedrog
kent zijn ziel niet.. Recht is zijn weg, en rechtlijnig zijn
gedachten.
Hij
vast, niet eenmaal per week, neen tweemaal, en het surplus is voor
de zonden van het volk. Hij geeft tienden niet enkel van het
belastbaar inkomen, neen, van al zijn inkomsten. Aftrekpostjes wìl
hij niet eens kennen. De armen moeten geholpen worden, royaal.
Daarop moet je niet beknibbelen.
Welk
een nobel mens. Handel en wandel, leer en leven zijn bij hem één.
Hier is echt een rechtvaardige, een tsaddiek, een mens, die zichzelf
rein heeft bewaard van de wereld, een mens zonder blaam of smet,
zuiver van hart en handen, puur van ziel…
… zij
het, dat heel zijn lofrede onder een verkeerd voorteken staat… Ze
begint met:
Heer, ik dank u dat ik niet ben zoals de andere mensen..
Hij is
anders, béter dan de andere mensen. Hij zondert zichzelf af van de
rest van de mensheid, daar heeft hìj niets mee van doen, daar wil
hij ook niets mee van doen hebben. Daarom heet heet hij ook
farizeeër, afgescheidene.
Zelfverheffing is de bekoring bij uitstek voor mensen,
die van zichzelf weten dat ze goed zijn en goed doen. En dat is ook
zo, ze doen goed, ze zijn goed. Zelfverheffing: dat is verbreking
van de band met de naasten, de medemensen, de mindere broeders… En
natuurlijk nìet openlijk als deze farizeeër… Neen, je mag het van
jezelf nog niet eens weten… Maar je weet het wel.
Hoe
was het ook al weer: Een gelijkenis stelt openlijk aan de orde wat
zich in de binnenkamer van een mensenhart afspeelt.
De
farizeeër brengt zijn eigen rechtvaardigheid mee, wanneer hij in de
tempel komt..
Maar
juist daarom moet hij die straks verlaten zonder
rechtvaardiging.
Op
het moment, dat je zegt ‘Ik ben rechtvaardig’,
schrijft Elie Wiesel,
precies op dat moment, ben je het niet meer.
Daarom
gaat hij heen gelijk hij gekomen is: even rechtvaardig in zichzelf,
maar even ongèrechtvaardigd door God.
Dat we
niet in de fout moeten vervallen deze farizeeër tot prototype van
alle vrome joden te maken spreekt, hoop ik, voor zich…
En dan
is er die tweede man, die tweede mens, die opgaat naar de tempel. De
tollenaar. Hij voelt zich helemaal nìet op zijn gemak, daar in die
tempel. De farizeeër zag hem vanuit zijn ooghoek en breidde spontaan
zijn gebed uit met een sneer in de richting van de
tollenaar.. Heer ik dank u dat ik niet zo ben als al die andere
boeven van mensen, of zoals die tollenaar daar.. In de
tempel, waar de farizeeër kind aan huis lijkt te zijn en de
tollenaar zich een vreemdeling voelt, hier is de farizeeër
superieur.
En hij
heeft natuurlijk groot gelijk, de farizeeër, zoals hij altijd gelijk
heeft. Wat die tollenaar wel niet allemaal deed, afgrijselijk voor
een rechtgeaard en vrome burger. Hij heulde met de vijand, hij was
fout, een zwarte, hij perste de mensen af, hij profiteerde
schaamteloos van zijn positie.. en wat het ergste was.. hij leefde
royaal van… mìjn… geld.
Onverdragelijk, zo’n vent.
Die
heeft hier toch niets te zoeken in Gods huis.
Hij
mag hier niet eens zijn. Hoe was het ook al weer, psalm 24:
Wie
mag de berg des HEREN beklimmen,
wie
mag staan in zijn heilige stede?
Die rein is van handen en zuiver van hart,
die zijn ziel niet op valsheid richt,
noch bedrieglijk zweert..
Welwel.. eruit met die tollenaar. Hij vloekt alleen al door zijn
aanwezigheid daar met de heiligheid van de tempel. De verachting van
de farizeeër is begrijpelijk en terecht..
… op
één punt na, dat is op het punt van de rechtvaardiging.
Daar
gaat de rechte lijn van denken van de farizeeër niet op.
Zonder
rechtvaardigheid was de tollenaar tot de tempel gekomen.
Gèrechtvaardigd keert hij terug naar huis…
Hij
had niets te zoeken in de tempel.. maar toch kwam hij daar iets
zoeken. En aan zoeken is in de bijbel een belofte verbonden:
Zoekt en gij zùlt vinden..
Verder
dan de ingang brengt hij het niet. Hij staat van verre.. maar hij
is in Gods huis
En
daar woont God zelf, daar wordt zijn heil verkregen..
De
tollenaar beseft, dat hij geen recht heeft, geen gelijk, geen voet
om op te staan. Hij heeft ook geen gebed meer overgehouden..
Heer, wij weten niet wat wij bidden zullen.. Daar is enkel nog
die kreet, uit de diepten der ellende: O God, wees mij zondaar
genadig.
Hij
heeft niets anders in te brengen bij God, dan zijn schuld. Zijn hele
lichaam onderstreept dit als het ware. In plaats van zijn handen
omhoog te heffen als een gewone bidder, slaat hij zich er mee op
zijn borst. In plaats van zijn ogen opwaarts naar de hemel te
heffen, slaat hij ze neer.
Toch…
diep verscholen onder de belijdenis van zijn schuld klinkt de
belijdenis van zijn geloof.
Dàt
hij nog bidt, is daarvan het bewijs. Dàt hij dan toch nog naar de
tempel is gegaan, is daarvan het teken. Hij vertrouwt zich toe aan
God, volledig, Hij geeft zich over op genade of ongenade levert hij
zichzelf uit aan God, en als dat geen geloof is, weet ik het niet
meer.
De
genade, gemeente, waaraan de tollenaar zijn leven hier ophangt, waar
van zijn leven dan ook echt afhangt, met die genade is iets
bijzonders aan de hand…
In ons
rechtsysteem, is genade een correctie van het recht in
onduidelijke gevallen of bedoeld om ongewenste implicaties van het
vonnis te voorkomen, denkt u maar aan ‘gratieverlening’. Gods genade
echter is iets anders, het is geen mindere vorm van recht, maar
integendeel het hoogste recht.
Want
als God deze zondaar genadig is, dan doet Hij hem tegelijk
recht.
Dat
recht heet hier dan wel ‘genade’, maar het is toch wel degelijk
recht. Deze gelijkenis doet ons dat voelen, meer dan dat ze het
beredeneert, want zeg nou zelf: Als wij deze gelijkenis horen, dan
getuigt onze geest a.h.w. met Gods geest, dat God geen onrecht
doet, als Hij genadig is en deze ellendige zondaar aanneemt
en de eigendunkelijke farizeeër ledig heenzendt.
Deze
gelijkenis doet ons voelen, dat genade het hart en de kern van het
recht is, het hoogste recht. Gods recht is verrassend, verfrissend,
levenschenkend. Gods recht is in zijn hoogste ontplooiing, juist
genadig.
Gods
recht geschiedt op een manier waarop wat wij recht en billijk
noemen…. wordt gestuit en in zijn beperkte baan wordt teruggewezen.
Dat is wat de farizeeër niet begrepen had.
Hij
meende dat het begrip ‘rechtvaardig’ bestond in het maken van een
optelsom van goede eigenschappen en daden… Hij had niet door dat God
ècht alleen maar het hart aanziet, d.w.z. peilt wat er in de mens
is, ten diepste en dàt laat doorwegen in zijn eeuwig oordeel.
En dan
kan een hart dat zo klein is als een ootje -- ootmoedig -- omdat
het weet dat de optelsom van al het goede bepaalt niet zo
spectaculair zal zijn…. en dat hart doet dat pijn, dat dat zo is…
maar zo is het…. zo’n hart peilt God en zulk een mens zendt God
gerechtvaardigd naar huis, d.w.z . terug het leven in.
Gemeente, ik begon met te zeggen dat deze beide uitersten, typen
zijn van de ene mens. Iets van beiden hebben wij allemaal in ons.
Twee zielen wonen in ons, twee strevingen drijven ons, van buiten
zijn we niet wie we van binnen zijn en van binnen zijn we ook niet
altijd zo blij met onszelf.
Maar
waar het opaan komt, zo leert ons deze gelijkenis, is dat wij
a.
eerlijk zijn ten opzicht van onszelf (zelfkennis) en b. ons niet
verheffen boven anderen en
c. dat
wij nog iets van God verwachten (Godskennis). Deze elementen maken
van het meest verloren leven een hoopvol gebeuren.
Amen.
liturgie
aanvangslied: psalm 19: 1
stil
gebed
votum
& groet
lied:
psalm 19: 3
gebed
om ontferming (verootmoedigingsgebed)
lied:
psalm 19: 6
woord
ten leven: Galaten 5
lied:
gezang 402: 1
gebed
bij de opening van het Woord
Schriftlezing: LUKAS 18: 9-14
lied:
psalm 24,
vers 1 en 2 (onberijmd = 1-3)
zingen: vers 3
voorlezen vers 4
zingen: vers 5
kinderen naar de nevendienst
preek
lied:
gezang 50: 1, 3
dankgebed en voorbeden
geloofsbelijdenis
lied:
gezang 48: 9 en 10
lied:
gezang
heenzending en zegen / “amen..” (gezang 456:3)