|
|
||
|
|
||
woensdag, 30 november 2011 |
|
|
|
Jeroen Bosch: De
aanbidding door de koningen
|
![]() |
Het altaarstuk
"de Aanbidding door de Koningen" (Adoration of the Magi),
een drieluik van Jeroen (of plechtiger Hieronymus ofJheronimus) Bosch
(1450-1516), zit vol dubbele bodems, waarvan de schilder er een aantal heeft geduid
middels afbeeldingen in de afbeelding. Ik veronderstel het verhaal bekend: de Magi
(Perzische priester-koningen-geleerden) zijn, geïnspireerd door een ster die
zij gezien hebben, uit het
oosten gekomen op zoek naar een nieuwgeboren Koning der Joden. In de
christelijke traditie staan zij voor de "goyim", de heidenvolkeren
die gekomen zijn om Christus te aanbidden. Ze zijn vaak oud, middelbaar en jong
en vertegenwoordigen vaak alle (=
drie) continenten: Europa, Azie en Afrika. Inspiratie voor dit soort uitbreidingen (een soort christelijke
midrashiem) vond men in Jesaja 60, Psalm 72 etc... De theologische betekenis van Christus' geboorte wordt in dit
schilderij uitgebeeld op bijzondere wijze: de oplettende 'lezer'
krijgt namelijk afbeeldingen van de bijbelse intertext (
m.n. verhalen uit de
Joodse bijbel - TeNaCh) te zien op
de meest onverwachte plaatsen. Hieronder de voornaamste, die ik
(voortbouwend op de studie van anderen natuurlijk) heb kunnen vinden:
Vooraf echter de opmerking dat dit schilderij oorspronkelijk ca. 1510 is geschilderd in opdracht van Pieter Bronckhorst (geknield op het linkerpaneel) en zijn vrouw (Agnes Bosshuysse, idem rechts). In 1568 is het de toenmalige eigenaar afgenomen door de hertog van Alva, die deze "oorlogsbuit" schonk aan Filips II, die het in 1574 naar het Escorial liet zenden. Sinds 1839 bevindt het zich in het Prado.
Indeling
Eerste koning (goud): het bijna-offer van Isaac
Tweede koning (wierook): de koningin van Sheba en het offer van Manoach
Derde koning (mirre): de onderwerping van Israel aan David
De prominente plaats van de ezel, en de vierde Magus (Bileam?)
Waar is Jozef ?
Overige opmerklijkheden
De alomtegenwoordigheid van kikkers of padden
De vogels met vruchten op de kronen der koningen
De stal als "de vervallen hut van het huis Davids" (+ de herders, de goede herder, de huurling, het lam en de wolf).
De Sint Gregorius-mis (gesloten triptiek)

Aan de voeten van Maria staat de gift van de eerste koning: een gouden sculptuur. Bij nadere beschouwing blijkt het een afbeelding te zijn van een zeer bekend verhaal uit Israels thora: de binding van Isaac door zijn vader (Genesis 21).
Volgens dit dramatische verhaal
moest Abraham zijn zoon gaan offeren op de berg.
Isaac zelf droeg het
brandhout (de mutsaard). Terwijl zij beiden tesamen de berg
beklimmen, vraag de zoon bedeesd aan de vader: Vuur is er, brandhout draag
ik... maar waar is het lam ten brandoffer? Ontwijkend gelovig
antwoord Abraham: JHWH zal zich zelf wel een lam ten brandoffer voorzien (de
naam van de berg = Moriah). Als Isaac is gebonden (zich heeft laten
binden), en Abraham het zwaard heft om toe te slaan, verschijnt een engel.
Abraham moet precies zo ver gaan dat hij zijn intentie bevestigt tot deze
a-morele daad (woede bij I. Kant; verwondering bij S. Kierkegaard). Een ram
is vervolgens het echte slachtoffer...
Alle détails van dit verhaal zijn aanwezig in de gouden sculptuur die de eerste Magus aan Jezus schenkt, de Zoon die door de Vader zelf ten offer is voorbestemd... aldus de christelijke traditie.
de rijkbewerkte kraag van de tweede koning bevat twee bijbelse verhalen.
1.
Koning Salomo ontvangt hoog bezoek, i.c.
van de koningin van Sheba, die volgens het verhaal in 1 Koningen 10 naar
Jeruzalem toog met een zeer groot gevolg, o.a. kamelen beladen met
specerijen, zeer veel goud en edelgesteente... Bij haar vertrek
schonk zij de koning honderd twintig talenten goud, zeer veel specerijen en edelgesteente; zulke
specerij, als de koningin van Seba
aan koning Salomo gaf, is er nooit meer aangekomen.
2. De tweede band van de kraag is geen afbeelding van het offer van het paaslam (Exodus 12) zoals wel eens wordt gesuggereerd, maar een weergave van het offer dat Manoach brengt als antwoord op de aankondiging van de engel van de wonderlijke geboorte van de richter Simson. Het offerdier is immers overduidelijk geen lam, maar een volgroeide geitebok, precies wat Manoach de engel van JHWH aanbiedt en waarmee de engel (maar zij wisten niet dat het een engel was) vervolgens iets heel speciaals doet. Lees maar wat er staat (Richteren 13,19vv)) en kijk dan naar Bosch: Daarop nam Manoach een geitebokje en een spijsoffer en offerde dit op een rots aan de HERE. Toen deed Hij een wonder, terwijl Manoach en zijn vrouw toezagen. Terwijl de vlam van het altaar omhoog steeg naar de hemel, voer de Engel des HEREN op in de vlam van het altaar. Toen Manoach en zijn vrouw dit zagen, wierpen zij zich op hun aangezicht ter aarde....
Waarom dit offer en deze
richter ? Kijk wat de engel zei tegen de vrouw van Manoach (v. 5): want
van de moederschoot af zal de jongen een nazireeër Gods zijn; hij zal
een begin maken met de verlossing van Israël uit de macht der Filistijnen...
en lees dan Mattheus 2,23 (het slot van Mattheüs geboorte-midrash, waar
Jozef terugkeert uit Egypte en zich vestigt in Nazareth) ... opdat in
vervulling zou gaan hetgeen door de profeten gesproken is, dat Hij
Nazoreeër zou heten. Dit is een foutje van Mattheüs (Nazireeër en
Nazareth hebben niets met elkaar te maken) maar wel gemeengoed geworden in
de traditie. Vandaar...


Op de kruik zijn drie soldaten te zien; twee staan rechtop met lans, één knielt en heft een plaat of een bord omhoog naar een koning.
Teneinde deze afbeelding te kunnen identificeren wordt vaak verwezen naar de manier waarop in de zogeheten Biblia pauperum (Armenbijbels) het verhaal van de aanbidding der koningen wordt verbonden met een tweetal typische scènes. Naast de koningin van Sheba (z.b.) als proto-type wordt ook steevast verwezen naar een veel minder bekend bijbelverhaal, waarin koning David een huldeblijk ontvangt van de generaal Abner, wanneer die zich aan de pasgekroonde koning komt onderwerpen, daarmee tegelijk de noordelijke stammen van Israel toevoegend aan het (tot dan toe) enkel zuidelijke (Judese) koninkrijk van David.
Op dit 14de eeuwse exemplaar staat dit tafereel
links en de koningin van Sheba
rechts.
De tekst
linksboven verwijst naar het verhaal van Abner (vertaald:) In 2 Sam. 3, v 10 staat te
lezen dat Abner, de generaal van Saul, naar David kwam in Jerusalem om hem
te brengen het gehele volk van Israel dat tot dan toe het huis van Saul had
aangehangen. Dit is een voorafbeelding (prefiguratie) van de Magi die
Christus aanbaden en hem mystieke geschenken gaven.
De auteur verwijst hier naar de
ruzie tussen Abner en Isboseth (de zoon van Saul), die erop uitloopt dat
Abner zich geërgerd afkeert van Isboseth met de woorden: ...wat de HERE aan
David gezworen heeft, zal ik voor hem bewerken: het koningschap aan het huis
van Saul ontnemen en de troon van David oprichten over Israël en over Juda,
van Dan tot Berseba... Daarop gaat Abner inderdaad naar David om een
verbond met David te sluiten. Het verhaal loopt slecht af, want David's
generaal (Joab) vertrouwt de boel niet en laat Abner vermoorden. Het ligt inderdaad voor de
hand, dat Bosch dit
verhaal hier heeft afgebeeld. Het verklaart zowel de
soldateske uitrusting als de vorm van het geschenk: dat zou dan een contract
moeten zijn (zoals in de hiernaast afgebeeld biblia pauperum.
(détailopname = David met scepter en Abner met een beschreven papier).
De
meest intrigerende, maar ook enigmatische, figuur is de halfnaakte persoon
die in de deur van de stal staat. Sommigen (v
ooral sinds een artikel van
Mrs. Brand Philip in de jaren 1950) suggereren dat het de antichrist en/of
een valse Joodse Messias is (antijudaisme was standaard in Bosch's dagen).
Dit gaat dan geheel in de lijn van de discussie over de goede en slechte
herders. Het grootste nadeel van deze opvatting is ecther, dat deze figuur
eigenlijk nooit met de Magi wordt geassocieerd, terwijl dit in het
schilderij juist wel het geval is.
Hij draagt een
soortgelijke kroon en houdt de kroon van de tweede
koning zelfs voor hem vast. Een andere expert terzake (prof. De Tolnay) ziet
in deze persoon dan ook niet de anti-Christ maar juist een prefiguratie van
Christus de Koning der Joden, de lijdende knecht uit
Jesaja 53 (rode mantel, doornenmotief(?), daarboven een takje
dat groen uitloopt).

Hoewel aanlokkelijk lijkt het meer voordehandliggend om te denken aan een oudtestamentische collega van de drie Magi, de ziener Bileam die ooit door een angstige vijand (koning Balak van Moab) was ingeroepen om het volk Israel dat door de woestijn trok te vervloeken, maar in plaats daarvan een zegen uitsprak. Redenen om aan deze Magus te denken zijn er velerlei:
Bileam is degene die de opkomst van de mysterieuze ster heeft voorspeld. Het verhaal staat te lezen in het boek Numeri en de Spreuk in h. 24, 16vv: De spreuk van Bileam, de zoon van Peor, en de spreuk van de man met het geopend oog; de spreuk van hem, die de woorden Gods hoort, en die de wetenschap des Allerhoogsten kent, die het gezicht des Almachtigen schouwt, nederliggende met ontsloten ogen. Ik zie hem, maar niet nu; ik schouw hem, maar niet van nabij; een ster gaat op uit Jakob, een scepter rijst op uit Israël, en verbrijzelt Moabs slapen, en verplettert alle zonen van Set.
Het is precies deze tekst
die de typologische scenes
in de biblia Pauperum vergezelt.

De tekst wordt gelezen in de liturgie van zondag Driekoningen (Epifanie)
De legenda aurea laten oude manuscripten van Bileam's profetie in Perzië rondzwerven op, aldus verklarend hoe de Magi aldaar konden weten van een ster en een koning in Israel/Jacob.
Ook het feit dat de ezel prominent met de vierde koning in de stal staat, terwijl er van de traditionele os geen spoor te bekennen is (!), zou wel eens een hint kunnen zijn. Was het niet Bileam die onderweg om de Israelieten te vervloeken, het aan de stok krijgt met zijn edel rijdier? De ezelin immers ziet de engel die de weg versperd, Bileam (de ziener) niet. De ezelin weigert daarom om verder te gaan.
Dit zou ook wel eens de verklaring kunnen zijn van de mysterieuze wonde aan het onderbeen van de vierde Magus. Immers bij die actie drukt de ezelin Bileam tegen de rotswand van de holle weg, zodat zijn voet beklemd raakte (Num 22,25).
Hoewel hier niets te bewijzen valt, zijn dit toch wel veel indicaties in dezelfde richting: Bileam dus, de zoon van Peor, de eerste die de sterf heeft zien opgaan in Jakob...
Volgens de midrash van Mattheüs
vinden de koningen, geleid door de ster, het kind Jezus en zijn moeder
niet in een stal (= Lukas), maar in een huis in Bethlehem. Aangezien de
beide nativity stories in de verbeelding zijn samengevoegd, is het
traditie om de koningen oo
k
in de stal op bezoek te laten komen.
De
stal van Bosch (en hierin is hij niet uniek) is een eigenaardig bouwsel, of
beter een bouwval. De 'veranda' wordt gestut door een kromme stok. Her en
der zijn reparatiewerkzaamheden zichtbaar (met plaggen, maar ook met
een korenschoof).
De wijze waarop de stal als een "vervallen hut" wordt afgebeeld, roept de herinnering op aan een bekende messiaanse profetie (Amos 9,11): Te dien dage zal Ik de vervallen hut van David weder oprichten, Ik zal haar scheuren dichten en wat daarvan is ingestort, overeind zetten; Ik zal haar herbouwen als in de dagen van ouds...
De herders kijken toe door een gat
in de muur achter Maria, of klimmen in een een boom om via het dak (de ene
met herderstaf, de andere met een doedelzak) alles beter te kunnen zien.
Naast een gewone uitbeelding van het verhaal is hier ook meer in te zien: op
voorwaarde natuurlijk dat we de herders interpreteren als de 'leiders' van
het volk. Vooral door de verbinding met het rechterpaneel, wordt dit
aannemelijk gemaakt. De nauwlettende observator ziet daar een tweetal
herdersstaffen op de grond liggen, weggeworpen, achtergelaten door de
herders in hun rush naar de stal.

De eerste ligt vlak voor een lam (het lam, dat de goede herder zal worden?); de tweede ligt daar waar een wolf een een slachtoffer maakt. Helemaal op de achtergrond nog iemand voor haar leven, achternagezeten door een wolf. Zo u wilt kunt u denken aan de beroemde gelijkenis van Jezus (Johannes 10). Vers 1 diskwalificeert de herders: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie niet door de deur de schaapskooi binnenkomt, maar op een andere plaats inklimt, die is een dief en een rover... En in het tweede deel (10vv.) De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verdelgen; Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed. Ik ben de goede herder.
Het contrast tussen deze beide zit 'm precies in wat een herder doet als er een wolf verschijnt: De goede herder zet zijn leven in voor zijn schapen; maar wie huurling is en geen herder, wie de schapen niet toebehoren, ziet de wolf aankomen, laat de schapen in de steek en vlucht - en de wolf rooft ze en jaagt ze uiteen -want hij is een huurling en de schapen gaan hem niet ter harte.

Grote afwezige in het centrale paneel is Jozef. Daarmee is Jeroen Bosch of zeer bijbelgetrouw (in de midrash van de drie Magi komt hij niet voor tijdens de aanbidding (... en zij vonden het kind en zijn moeder, staat er). Jozef wordt plots van belang in het vervolg, als hij op grond van een droom naar Egypte vlucht.
Toch is hij wel degelijk aanwezig op het schilderij, maar letterlijk terzijde. Kijk maar op het linkerpaneel: daar ziet u hem, onder een afdakje. Als zorgzame vader is hij bezig om "de doeken waarin het kind was gewikkeld" te drogen (zou hij ze ook 'ververst' hebben?). De bijl waarmee hij het brandhout heeft gekapt hang losjes aan de steunbalk.
Het zou mij overigens niet verbazen dat Jeroen Bosch himself ons hier een schuinse blik toewerpt.
Het schilderij krioelt van de kikkers, of beter padden, een oeroud symbool van de negativiteit, het kwade, de satan. Een selectie:
We zien hem boven de sluitsteen van de poort van een vervallen gebouw (de tempel?), meteen links van het afdakje met Jozef. Een tovenaar op de pilaar zwaait met z'n toverstok naar hem.
Padden zijn de decoratie van de riem die tussen de benen van de vierde Magus (Bileam) hangt
Padden kruipen tegen de tak op die het afdakje boven Maria steunt, maar...
Het geschenk
van de eerste koning (offer van Isaac) verplettert een groep padden.
Velen zien hierin een verwijzing naar de tweede plaag van Egypte (kikvorsen, Exodus 8); persoonlijk houd ik het liever op de algemene pejoratieve betekenissen van padden, verwijzend naar eender welke "plaag", m.n. overigens allerlei smerige ketterijen.
Op de kroon van
de eerste koning zijn twee vogels te bespeuren, die volgens vele uitleggers
pelikanen zouden zijn. Mij lijkt dit niet erg waarschijnlijk, want
het meest karakteristieke van een pelikaan volgens de christelijke symboliek is, dat deze zich in de borst prikt en de jongen met z'n eigen hartebloed
voedt. Deze vogels hebben duidelijk een vrucht in de bek (een bes?) en
lijken vast van plan die zo te manoeuvreren, dat ze kunnen inslikken. De
algemene betekenis van dit soort afbeelding is: wellust.
Deze associatie is nog sterker bij bij de derde koning, waar een vogel (en deze keer zeker geen pelikaan) een bes oppikt op de kruik met mirre. het lijkt me trouwens dat deze vogel het vergulde handvat van het deksel voorstelt. De associatie met wellust is hier dubbel sterk, ten eerste omdat de Middeleeuwer ervan overtuigd was dat zwarten op dit punt de blanken overtroffen en vervolgens omdat deze koning in zijn andere hand nog een andere sappige vrucht vasthoudt (een aardbei).
De
triptiek in gesloten toestand vertoont de zogeheten "Gregorius-mis". Volgens
de legenda aurea begon eens, terwijl Gregorius bezig was de hostie te
consacreren, een vrouw
spottend te lachen. Hierop weigerde Gregorius haar de communie en legde de hostie
in plaats daarvan op het altaar.
Ter verantwoording geroepen, verklaarde
de vrouw dat ze gelachen had, omdat Gregorius het stukje brood dat zij
diezelfde ochtend aan de kerk had geschonken "het lichaam van Christus" had genoemd. Hierop
knielde Gregorius voor het altaar en bad God om het ongeloof van deze vrouw
te genezen. Prompt veranderde de hostie op het altaar in een stukje
mensenvlees (i.c. een vinger). Gregorius toonde dit de vrouw, die zich
onmiddellijk bekeerde. Hierop bad Gregorius opnieuw, de vinger veranderde
weer in een stukje brood, dat de vrouw ter communie ontving.
Als er een verband is tussen de triptiek gesloten en geopend, dan zou de aanbidding de werkelijkheid van het eucharistisch offer moeten beklemtonen, dan wel het thema aanvaarding en verwerping van Christus uitbeelden. De opvallende hoeveelheid "offers" en "offeranden" die wij boven aantroffen zijn in elk geval opvallend.
This site was last updated donderdag, 19 augustus 2010