|
Om over na te denken: transcendentie binnen onze werkelijkheid beleven
In de
werkelijkheid zoals wij die ervaren zit een mysterieuze diepte-dimensie die de wereld van de verschijnselen te boven gaat (transcendeert om het wat
moeilijker te zeggen). Veel mensen komen hiermee in aanraking tijdens hun
leven. Gelovigen schrijven dat soort ervaringen toe aan God
en vragen zich vaak niet verder af hoe het kan dat je die dimensie kunt ervaren,
of waar het woordje ‘God’ dan precies naar verwijst; voor veel mensen vandaag
geldt, dat zij wel degelijk ook soortgelijke ervaringen opdoen, maar dat zij die
niet meer verbinden met God als een hogere, onzichtbare werkelijkheid achter of
boven (los) van deze zichtbare wereld. Zij kunnen dat eenvoudig niet meer
aannemen. Dat dubbele wereldbeeld is verdampt, verdwenen, opgelost
waarschijnlijk gewoon omdat de natuurwetenschap onze werkelijkheidsbeleving
totaal heeft veranderd (iets wat wij ons maar zeer ten dele realiseren). Een
metafysische taal waarin argeloos gesproken wordt over God, ziel, geest,
substantie - zonder dat dit in onze zintuiglijke en wetenschappelijke wereld kan
aangetoond worden - wordt als zinloos beleefd en dus (vriendelijk, maar beslist)
afgewezen., want...
“...de
transcendente dimensie die zij beleven, willen zij duiden als een dimensie van onze werkelijkheid. Niet erboven, erachter of ernaast. Men ontkent niet
dat er over deze transcendente dimensie alleen in symbolen gesproken kan worden.
Integendeel, onze tijd is weer gevoelig geworden voor symbolen in de zin van
beelden, woorden, die verwijzen naar het mysterie. Wij zijn er ons scherp van
bewust geworden dat wij niet alles meer in definities kunnen vangen, zoals wij
ons er ook bewust van zijn geworden dat wij in alle voorlopigheid slechts
aspecten kunnen zien. Maar wanneer de kerk het over God heeft, zal men vragen:
‘Waar in deze werkelijkheid maakt Hij zich kenbaar in de dieptedimensie van het
leven van mensen en van de kosmos?' Als de kerk daar geen antwoord op heeft of
alleen de oude antwoorden herhaalt, zal men zich afwenden. De boodschap van de
kerk slaat dan nergens op.
Neemt de
kerk het op voor de armen en strijdt zij tegen de onderdrukkende structuren,
tegen de honger, tegen het misbruik van de natuur, enzovoort, dan zal men de
kerk welwillend
als een bondgenoot beschouwen, maar daar houdt de belangstelling mee op. De kerk
zegt ook dan niets nieuws. Buiten de kerk was men allang met deze dingen bezig.
Men heeft eer het gevoel dat de kerk wat na komt hinken. Wat heeft de kerk nog
te zeggen dat zó verrassend en nieuw is, dat mensen weer de oren spitsen?
Dat
verrassende kan alleen een ‘Tegenover’ zijn dat in deze onze wereld
ontmoet kan worden, een ontmoeting die een shockervaring oproept, iets dat niet
meegeeft, iets dat ons verrast of verschrikt omdat het niet in ons hoofd of uit
ons hart zou zijn opgekomen. Voor wat ik zelf kan bedenken, heb ik God niet
nodig. Wat zich plooit naar de druk van mijn verborgen angsten en verlangens kan
altijd een vorm van zelfbedrog zijn. Maar wat zo’n weerstand biedt dat ik er
niet omheen kan - als het gaat om de laatste en diepste dingen van mijn leven -
dát is een echt ‘Tegenover’.”
W. Zijlstra, Op zoek naar een nieuwe
horizon (Nijkerk, 1988), p. 367.
|