















|
|
Enkele cantates van J.S. Bach (en andere muziek)
Met de cantates van Johann Sebastian Bach heb ik me zowel praktisch
(uitvoerend) als theoretisch (door bijdragen aan de Bach Cantatas Website )
uitgebreid beziggehouden. Enkel van de resultaten vindt u hieronder. Ook
meer algemene
achtergrondinformatie over de 'religieuze beleving' die bij de cantates (en
de grote 'Passionen') hoort.
Voor biografische gegevens verwijs ik u naar
mijn Bach-pagina. Daar ook meerdere links.
Nog één ding: over de uitvoering die Bach zelf voor ogen stond (hoeveel
zangers, hoeveel instrumenten etc...) heeft hij in 1730 een
memo opgesteld ("wohlbestallte Kirchen
Music"). Zijn activiteiten als 'hofcomponist' en 'muziekdirecteur van de
stad' (coffeeshop van Zimmermann) komen ook aan de orde (zie het menu links)
- BWV 51: Jauchzet Gott in allen Landen
- BWV 56: Ich will den
Kreuzstab gerne tragen
- BWV 57: Selig ist der Mann
- dialogus
- BWV 82: Ich habe genug
(‘Maria Lichtmis’)
- BWV106: Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit (Actus Tragicus)
- BWV 127: Herr Jesu Christ, wahr'
Mensch und Gott
- BWV 140: Wachet auf ruft uns die
Stimme
|
|
Cantates: algemene inleiding
/ introduction générale
Naast de grote Passies die J.S. Bach heeft geschreven voor Goede Vrijdag,
heeft hij ook – aldus de necrologie die na zijn overlijden in 1750 verscheen
- 5 complete jaargangen kerkmuziek voor alle zon- en feestdagen geschreven,
de zogeheten ‘cantates’. Ongeveer 2/3 hiervan is overgeleverd (een kleine
200 stuks), meestal in manuscript. Deze productie begon bij zijn aanstelling
als ‘cantor van de Thomasschool’ en ‘muziekdirecteur van de stad’ in 1723.
De cantate werd uitgevoerd naar de Evangelielezing en voor de preek. Het was
Bachs bijdrage aan de Schriftuitleg, want dat is de bedoeling van deze
liturgisch kunstvorm, die in de 18de eeuw zo’n hoge bloei heeft bereikt: een
muzische meditatie leveren bij de lezing van de zondag, een gezongen preek.
Elke zondag van het kerkelijk jaar klonk deze muziek in Leipzig in één van
de twee hoofdkerken (Nicolaikerk of Thomaskerk), uitgenomen de
vastenperiodes voor Kerstfeest (Advent) en Pasen (de Vasten). De Lutherse
traditie hield dus vast aan de oude traditie dat het orgel dan dient te
zwijgen en er geen Figuralmusik (kunstige muziek) meer mocht klinken. De
laatste zondag-met-cantate voor de vasten was de 7de zondag voor Pasen
(zondag ‘Quinquagesima’ (= de vijftigste, nl. dag voor Pasen).
Na deze zondag was het dus soberheid troef in Leipzig, idealiter een tijd
van inkeer en boete als voorbereiding op Pasen... en voor een cantor met een
zekere ambitie plots een zee van tijd om eens met iets bijzonders uit te
pakken als die periode voorbij is: een reeks kerstcantates die we nu het
Weihnachtsoratorium noemen, of een hybride combinatie van passie-lezing en
muziek: de Passionen. Ze konden zowaar eens grondig repeteren vooraf ! Iets
wat er meestal niet of nauwelijks van kwam, omdat er in de rest van het
liturgisch jaar geen tijd voor was.
Introduction générale
Parallèlement aux grandes Passions que J-S Bach a écrites pour le
Vendredi Saint, il a également écrit- selon la nécrologie parue après son
décès en 1750 - de la musique d’église pour tous les dimanches et jours de
fête de cinq cycles annuels: ce sont les cantates. Environ 2/3 de ce corpus
de composition a survécu - près de 200 pièces - la plupart sous forme de
manuscrits. Cette production commença avec son installation comme ’cantor de
l’école St Thomas’ et ‘directeur de la musique de la ville’ en 1723. La
cantate était exécutée après l’évangile et avant la prédication. C’était la
participation de Bach à l’explication des Écritures, car là était bien le
but de cette forme artistique qui a connu au 18ème siècle un développement
brillant: une présentation méditative musicale proche de la lecture du
dimanche, une prédication chantée.
Lors de chaque dimanche de l’année liturgique cette musique résonnait dans
l’une des deux église (St Nicolas ou St Thomas), les longues périodes
exceptées qui précèdent la Noël (Avent) et Pâques (Carême). La tradition
luthérienne a donc perpétué l’ancienne tradition selon laquelle l’orgue doit
se taire et aucune ‘Figuralmusik’ (musique artistique) ne peut résonner.
Le dernier dimanche-avec-cantate avant le Carême était le 7ème dimanche
avant Pâques, dimanche de la Quinquagésime ( 50ème jour avant Pâques). Après
ce dimanche il y avait donc une soudaine sobriété à Leipzig, idéalement un
temps pour l’introspection et la pénitence en préparation à la Pâques… et
pour un cantor habité par une certaine ambition, brusquement un large espace
de temps pour réaliser quelque chose de spécial pour la suite de cette
période: une série de cantates liturgiques que nous appelons à présent
Oratorio de Noël, ou un regroupement hybride de lectures de la passion: ce
sont les Passions. Cette période permettait en effet de programmer les
répétitions nécessaires à une préparation en profondeur, le reste de l'année
liturgique ne laissant pratiquement pas de temps pour cela.
|